Bourdieu

PIERRE BOURDIEU: Raisons pratiques. Sur la théorie de l'action

250 blz., Seuil 1994, ƒ 51,60

Pierre Bourdieu behoort tot de 'fine fleur' van de Franse sociologie. Daarmee geniet hij een zekere naamsbekendheid in Frankrijk (maar zelfs dat nauwelijks in Nederland). Dat heeft de Franse sociologie aan zichzelf te wijten, want zo zij ergens om bekend staat, dan is het niet om haar toegankelijkheid. Op een enkele uitzondering na staan Franse sociologische studies op gespannen voet met 'de werkelijkheid'. Anders dan hun Amerikaanse of Nederlandse vakbroeders doen Franse sociologen weinig moeite het grote publiek van hun prestaties te overtuigen, en bedrijven ze hun kunsten hoofdzakelijk voor een kleine kring van connaisseurs.

De bundel lezingen en praatjes die Bourdieu de afgelopen jaren in Amerika, Japan, Berlijn en Amsterdam hield, en die hij nu aanprijst als raisons pratiques lijkt echter een bredere strekking te hebben. Ondertitel en voorwoord beloven een representatieve samenvatting van zijn gedachtengoed.

De onderwerpen die Bourdieu aansnijdt zijn van minder belang dan de redenering die hij daarbij volgt. Dat blijkt uit het feit dat hun presentatie zelden door iets substantiëlers wordt geschraagd dan een televisie-interview of een oud onderzoekje dat hem opvalt of te binnen schiet. Maar zijn vaste à propos in alle voordrachten is de verhouding tussen het gewenste en het gedwongene in het menselijk handelen. Omdat de handeling volgens Bourdieu haar eigen 'praktische redenen' kent, mogen we niet op grond van een gefingeerde rolverdeling tot het bestaan van 'subjecten' of 'objecten' in geschiedenis of samenleving besluiten. In elk opstel trekt hij dan ook van leer tegen rationalisten of marxisten die het toneel stofferen met listige burgers of verworpenen der aarde.

Dat handelen voltrekt zich niet in een luchtledig, maar in een 'veld' van machtsverhoudingen die door wisselende groepen met uiteenlopende middelen worden aangevochten. De karakteristieken van zo'n groep vat Bourdieu samen met 'habitus', de middelen met 'kapitaal'. Van deze heterogene beeldspraak - veld, kapitaal en habitus - gaat weinig analytische kracht uit. Pas als die armaturen bekleed worden met historische stof, zoals in de Amsterdamse lezing uit 1991 over de opkomst van het staatsapparaat, levert Bourdieu's moeite vruchten op. Dit lange stuk bevat een passage over de ontwikkeling van de politieke bureaucratie in de middeleeuwen die zijn publiek bekend voor moet zijn gekomen: juristen en klerken die zich sterk maken voor hun eigen hachje, maar aldoende voor een groter belang, dat eenmaal van de vorst op de staat overgebracht als algemeen belang erkend werd. De Amsterdamse sociologen zullen in deze lezing meteen de invloed van Norbert Elias bespeurd hebben. Het verhaal wordt goed verteld, maar het is jammer dat de paar boeiende bladzijden van dit boekje nu net leengoed zijn. De overige bespiegelingen over 'de biografie','de school' en 'vrouwenarbeid' bijvoorbeeld dragen door hun gebrek aan documentatie èn door Bourdieu's koudwatervrees voor regie-aanwijzingen in het maatschappelijk spel, een armoedig en steriel karakter.

De snedige titel deed even denken dat Bourdieu vanaf zijn ivoren toren op de 'rive gauche' een brug naar de realiteit wilde slaan, maar dat blijkt schone schijn. Mogelijk dat Bourdieu's zouteloze redeneertrant in het buitenland voor zoete koek wordt geslikt, omdat een kwalijke traditie wil dat Franse parfums, films en boeken iets mysterieus hebben. Hopelijk leiden de GATT-afspraken op den duur ook tot een sanering in de Franse sociologie.