Bulgarije; Afscheid met ruzie

Volgende week moet Zjan Videnov, leider van de (ex-communistische) Bulgaarse Socialistische Partij (BSP), een regering hebben gevormd. Van de vorige, die van overgangspremier Reneta Indzjova, heeft het kersverse Bulgaarse parlement deze week met een spetterende ruzie afscheid genomen.

Die ruzie werd geprovoceerd door Indzjova zelf. De premier, die zich wegens haar daadkracht in de luttele maanden van haar bewind de bijnaam 'IJzeren Dame van Bulgarije' heeft verworven, maakte op 13 januari duidelijk dat van de BSP weinig heil te verwachten zal zijn: “Als de BSP alleen gaat regeren kan Bulgarije een mafiastaat worden.” Ze weigerde in te gaan op de eis van het nieuwe, door de BSP gedomineerde parlement om verantwoording af te leggen over haar regeerperiode van drie maanden: verantwoording was ze alleen aan de president schuldig. Bovendien was de uitnodiging van het parlement “in impertinente en beledigende termen” gesteld. Ze verdedigde haar beleid: “We hebben de orde hersteld, we hebben een begin gemaakt met de stopzetting van de chaos en de desintegratie van de staat en we hebben de criminaliteitsbestrijding op gang gebracht” - prestaties die volgens Indzjova “teniet kunnen worden gedaan als er een eenpartijregering komt.” “De mafia dreigt zich te nestelen in de heersende klasse, er is een tendens naar een samengroei van de staat en de mafia,” aldus Indzjova. “En dat is gevaarlijker dan een openlijk totalitarisme.”

De BSP reageerde woedend. De ex-communisten, die op 18 december een absolute meerderheid van 125 van de 240 zetels in het parlement veroverden, verweten Indzjova in de drie maanden van haar bewind “het privatiseringsproces te hebben geblokkeerd, te zijn doorgegaan met het plunderen van 's lands rijkdommen, overhaaste structurele en persooneelswijzigingen te hebben doorgevoerd en de activiteit van de volgende regering te hebben ondermijnd”. Indzjova, aldus een door het parlement aangenomen verklaring, had niet het recht lange-termijn-programma's te ontwikkelen omdat die “het principe van de continuïteit van bestuur ondermijnen”.

Die laatste opmerking slaat op het nieuwe privatiseringsprogramma dat de regering van Indzjova midden december had opgesteld. Indzjova, die voor haar aantreden het privatiseringsbureau van de regering leidde en die daar nu ook weer naar terugkeert, had 469 projecten met een waarde van 11,5 miljard leva (170 miljoen dollar) voor privatisering voorgedragen, met de nadruk op de voedselverwerkende industrie, toerisme en de landbouw. In 1995 moet volgens dit programma vier miljard leva meer binnenkomen door privatisering van in 1994, toen de Bulgaarse schatkist aan de privatisering 5,5 miljard leva overhield. Met dit initiatief lijkt de privatisering in Bulgarije - eindelijk - in een stroomversnelling geraakt. Als de socialisten - voorstanders van een voucherprivatisering - haar tenminste niet aan banden leggen.

Het kabinet van Zjan Videnov - 35 en voormalig functionaris van de communistische jeugdbeweging - zal bestaan uit socialisten en leden van de twee groepen waarmee de BSP vorige maand een verkiezingscoalitie aanging: de Aleksandur Stamboliski-Boerenpartij BZNS en de vroegere dissidentenbeweging Ecoglasnost. Videnovs erfenis is weinig benijdenswaardig. Economisch, politiek en sociaal gaat het Bulgarije slecht. De politiek, en daarmee het besluitvormingsproces, is de afgelopen jaren verlamd geweest door de polarisatie tussen de BSP en de in december gedecimeerde Unie van Democratische Krachten: twee partijen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Op sociaal gebied hebben verpaupering en een criminaliteit diepe sporen getrokken. 2,5 miljoen Bulgaren leven op of onder de armoedegrens. Tussen december 1990 en juli 1994 is het gemiddelde loon vernegenvoudigd maar zijn de prijzen vertwintigvoudigd. De afgelopen jaren hielden 400.000 Bulgaren het voor gezien: zij zijn geëmigreerd.

Economisch bracht 1994 niet de omslag waar de Bulgaren aan het begin van het jaar nog op hoopten. De economie groeide niet. De werkloosheid liep op tot 20 procent van de beroepsbevolking en de inflatie tot 124 procent - het dubbele van de inflatie in 1993. De hoge inflatie is vooral veroorzaakt door de voortdurende val van de lev, die in 1994 de helft van zijn waarde verloor, en de introductie van de BTW (18 procent). De meeste produktiebedrijven zijn vijf jaar na de omwenteling nog steeds in handen van de staat en tweederde daarvan is verliesgevend. De privésector genereert 23 procent van het BNP en biedt werk aan dertig procent van de beroepsbevolking, maar neemt slechts vier procent van de industriële produktie voor zijn rekening en speelt economisch nauwelijks een stimulerende rol.

De enige industrietak die eind 1994 reden voor een feestje had, was de wapenindustrie: de export van wapens steeg met 130 à 140 procent. In het eerste kwartaal van 1994 lagen de inkomsten van de militaire industrie al zeventig procent boven die van heel 1993 en in de jaarverslagen van de Bulgaarse wapenfabrikanten wordt hoopvol melding gemaakt van nieuwe, veelbelovende contacten met Rusland en de Oekraïne, Frankrijk Duitsland, Italië en zelfs de Verenigde Staten.