Ontreddering in brandend Kobe

KOBE, 19 JAN. In zijn auto vloekt hij aan een stuk door. Zijn vrouw had hem nog de huid volgescholden tijdens de aardbeving. Hij slaagde er zelf in uit zijn huisje te ontkomen. Zijn vrouw bleef binnen en werd verpletterd. “Alleen deze auto heb ik nu nog”, roept de Kobenaar, “hierin woon ik. Mijn vrouw en huis zijn weg.” Een nieuwe vloek volgt. Hij draait zijn autoverwarming op maximaal. Dan lacht hij hard.

Een oud Japans vrouwtje meent dat de 'ondergang' van Kobe het werk is van een vloek die allang op de stad rustte. Ze zit gehurkt bij haar vernielde huis. “Japan moest zonodig het Westen nabootsen. Inderdaad zijn we een modern land geworden dat echter zijn herkomst verried. Daarom heeft deze vloek ons getroffen.” Ze spuugt stoffig slijm in het puin.

Een vloek of een van de apocalyptische rampen die zijn aangekondigd in de Openbaring van Johannes? Wie zal het zeggen. Het resultaat van deze aardbeving bestaat uit veel meer dan een onbevattelijk hoog dodental. In Kobe schieten de bijvoeglijke naamwoorden tekort. De verschrikking dringt pas goed door als je door de stad loopt en kilometerslang de ontreddering ziet, ruikt en hoort.

De stad brandt nog steeds, vandaag op zeker drie plaatsen. Resten smeulen, gescheurd beton ruikt muf, sirenes loeien. De mensen, de overlevende slachtoffers, zijn ijzig kil. Een zestigjarige man wijst vriendelijk op een stofhoop. “Daaronder zijn mijn jongere broer en zijn vrouw gestorven. Ze waren 56 en 48 jaar. Als ze niet op de begane grond hadden gewoond waren ze misschien nog in leven.” De man lacht schaapachtig, terwijl een ander familielid de overlevende kat eten uit een blikje voert. Twee vrouwen huilen uit op elkaars schouders. “Mijn zoon, mijn zoon”, snikt een van de vrouwen zonder ophouden.

Vier kinderen zitten op een tot de grond toe afgebrand woonblok. Met eetstokjes graven ze voorzichtig in wat eergisteren nog de slaapkamer van hun ouders moet zijn geweest. Ze zoeken naar iets wat lijkt op stoffelijke resten van de ouders. Een buurman legt uit dat alleen al in dit blok acht van zijn kennissen zijn omgekomen. “Om kwart voor zes kregen we de volle laag van die aardbeving, daarna brandde bijna de hele wijk. Mijn familie leeft, maar we hebben niets kunnen redden. We konden wel ons huisje uit vluchten. Veel buren zaten als ratten in de val. Ze konden ramen en deuren niet meer openkrijgen. Mijn buren zijn levend verbrand.”

In de opvangcentra van Kobe blijven de meeste daklozen kalm. In een schoolgebouw waar honderden overnachten, overheerst berusting. Niemand klaagt, zelfs niet over een beverige poedel die de hele nacht doorkeft en iedereen wakker houdt.

Pag.5: 'Wegens omstandigheden gesloten'

Mevrouw Matsumoto (55) is lief; ze stopt de vreemdeling onder, nadat ze hem haar laatste eten gaf. 's Nachts vertelt ze dat haar huis is ingestort en afgebrand. Ze speelt de opgewektheid zelve, hoewel ze nog niets van haar dochter heeft gehoord die elders in Kobe woont.

De onzekerheid over wie wel en wie niet heeft overleefd, blijkt niet uit haar gedrag. Als een gehelmde man de school binnenstapt met de vraag of ze al iets heeft gehoord van haar dochter antwoordt ze zonder een spier te vertrekken: “Ik weet het niet”.

Middenin de nacht, als de poedel nog steeds keft en drie stevige naschokken de daklozen uit hun slaap houden, komt er een man langs die iedereen dezelfde vraag stelt: “Wie kan er voor een één maand oud babytje zorgen dat wees is geworden?”

Onderweg van Oost- naar West-Kobe toont de stad haar grimassen. In sommige stadsdelen staat geen enkel oud huisje meer overeind. De moderne gebouwen zijn daar ook niet gespaard. Sommige kantoren hangen gevaarlijk scheef, missen muren of zijn in het geheel op het wegdek beland. Aan vrijwel alle hoogbouw uit de jaren vijftig en zestig ontbreekt de buitenste laag. De plamuur, tegels of kunststofplaten zijn gebarsten en goeddeels afgeschud: de gebouwen ogen als een rimpelige geisha die haar levensgroeven niet heeft dichtgesmeerd met een verblindende witheid.

De stad geeft zich bloot. Woningen zijn niets anders meer dan scheefgetrokken sinaasappelkistjes. Onder het asfalt van de wegen zijn reusachtige mollen doorgekropen. Asfaltplakken staan als kruiende ijsschotsen overeind. Op sommige plaatsen zijn de wegen meer dan een meter ingezakt. Luidruchtige ziekenwagens berijden de asfaltschotsen.

Hoe verder westelijk, hoe vreselijker het schouwspel. Kobe is in het westen over een lengde van meer dan twee kilometer platgebrand. Op enkele plaatsen graven hulpverleners naar overlevenden. Ze porren met stokken in ingestorte huisjes. Een man van middelbare leeftijd, de enige die niet is geuniformeerd in het gezelschap, geeft aan waar ze moeten porren.

Oude ongeschoren mannetjes zitten op een stoep en warmen zich aan een vuurtje dat wordt gestookt met resten van het ingestorte Kobe. Een van hen wijst: “Daar was een oud ziekenhuis. Het is helemaal ingestort. Haast niemand heeft het overleefd.” Hij wrijft zijn handen boven het knetterende hout.

Verder naar het westen van de stad: het is alsof eerst het vagevuur zich ontplooit alvorens de hel mag worden gezien. Helemaal aan de westelijke rand van de stad, in Suma, lijkt helemaal geen steen meer op de andere te staan: Suma is schots en scheef. In deze eens lieflijke en niet zo dichtbevolkte woonwijk van Kobe zijn zo'n 200 doden gevallen. Van de pittoresque badplaats met charmante, oude winkelpandjes is niets, niets meer over. Een rijstverkoper in Suma hangt een bordje op zijn omgevallen huis. “Wegens omstandigheden gesloten.”

Twee dagen na de ramp lijkt de hulpverlening slechts moeizaam op gang te komen. In Kobe bevinden zich 15.000 soldaten. De enigen van hen die zichtbaar zijn, staan met hun handen in de zakken. “We wachten op een bevel,” mompelt een van hen desgevraagd. Van een massale inzet van puinruimers is nog weinig te merken. Enkele bulldozers zijn al wel aan de slag op het wegdek. Brandweerlieden uit het heel het land hebben zich in Kobe verzameld, maar de meesten van hen zijn nog niet verder gekomen dan de vergadertafel.

De politie hoeft geen onbeheerde huizen te bewaken, want “plunderaars bestaanniet in Japan”, zo verklaart een politieagent. Bij gebrek aan andere zinvolle inzet voelen de agenten zich vooralsnog overbodig in deze stad van de dood.

Alle gesprekken van Kobenaren onderling gaan direct of indirect over de dood. In de stad hangt een geur van dood, van gestorven gebouwen, van kadavers en levenloze mensen. De overlevenden houden zich in hun schrikbarende kilheid het masker van de vergankelijkheid voor. Hoelang zal het duren voordat Kobe weer tot leven komt?

Een enkeling doet al een poging het leven te hervatten. Een kantoormannetje, keurig in pak, staat voor het scheefgezakte kantoor van zijn werkgever. Hij is verbaasd dat hij twee dagen na de aardbeving zijn werk nog niet mag en kan hervatten. Hij sloft teneergeslagen terug naar huis. Verderop veegt een vrouwtje peuken en bladeren op de stoep bijeen, twintig meter van een omgevallen viaduct en grote brokken beton. Het is haar bijdrage aan de revitalisering van de stad.