Russen wacht nog zware strijd in Grozny

Waarom slaagt het Russische leger er al weken niet in om de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny te veroveren? Kan het niet bogen op een zeer grote ervaring op het gebied van straatgevechten, de oelitsjnyj boj? Zijn de Russische militaire academies de lessen vergeten van bijvoorbeeld Stalingrad 1943, Berlijn 1945, Boedapest 1956 en ook de Moskouse coup van 1993?

Het lijkt er vooralsnog op dat de Russische generaals in eerste instantie in de pas hebben gelopen met het oudste cliché dat over hun métier bestaat: ze hadden zich voorbereid op de vorige oorlog. De aanval van nieuwjaarsdag op Grozny vertoonde veel overeenkomst met het neerslaan van de couppoging tegen Jeltsin in oktober 1993. Toen volstond het om enkele tanks van de loyale Tamanskaja-divisie vanaf een brug over de Moskva enkele gaten te laten schieten in het Witte Huis, toen het symbool van de tegenstand tegen het Kremlin. Ook in Grozny staat zo'n symbool, het eveneens witte presidentieel paleis. De tanks die daarheen op weg waren, waren eveneens van de Tamanskaja-divisie. Het jammerlijke verloop van de onderneming is bekend: de Tsjetsjenen schoten de tanks in brand. Mèt hun bemanningen.

De strijd die nu woedt, na een grootscheepse hergroepering van de Russische strijdmacht, is daarentegen wèl een reprise van de bloedige straatgevechten waarin het Rode Leger tientallen jaren uitblonk. De militaire deskundigen zijn het erover eens: het gaat nog een hele tijd duren vóór kelder na kelder, trapportaal na trapportaal en kamer na kamer zal zijn gezuiverd van Doedajevs troepen.

Ook de majoor Meerdink en de kapitein Bongers van de Koninklijke Landmacht - beiden instructeur van de Opleiding Richting Tactiek (ORTAC) in Harderwijk en specialisten op het gebied van de zogeheten urban warfare - waren verbaasd over de eerste tankaanval. “De Russen hebben de sterkte van de tegenstanders waarschijnlijk volledig verkeerd ingeschat”, zegt Meerdink. “Wat hen nu te doen staat is bloedig handwerk: de moeilijkste taak die een commandant maar kan krijgen”. En dat geldt volgens hen voor de commandanten van èlk leger; ook onder de goed uitgeruste Amerikaanse troepen in de Somalische hoofdstad Mogadishu waren na felle straatgevechten veel slachtoffers te betreuren.

De uiterst trage zuivering van een 'oord' gaat volgens Bongers en Meerdink ongeveer als volgt in zijn werk. “De commandant die een stad moet zuiveren formeert een 'stormdetachement'. Infanteristen zijn hiervan de basis, uitgerust met granaatwerpers, machinegeweren en vlammenwerpers en gesteund door tanks en zelfrijdend geschut”. Het tempo van het offensief houdt gelijke tred met de loopsnelheid van het voetvolk; en aangezien dat in Grozny voortdurend wordt beschoten ligt dat niet bijzonder hoog. “De Russen moeten door de huizen en de tuinen, in een stad waarvan ze de plattegrond natuurlijk minder goed kennen dan de goed gemotiveerde tegenstanders”, zegt Bongers. Daarbij komt dat het zelfrijdende geschut dat de aanvallers ondersteunt ook allesbehalve onkwetsbaar is voor de Tsjetsjeense strijders. Die doorkruisen in groepjes van tien tot vijftien man de stad, schieten vanuit de kelders en vanaf de daken met draagbare raketwerpers - zogeheten RPG's - en verplaatsen zich door de riolen. “Wanneer je de schutters weet te lokaliseren duurt het even voor je het kanon op een raam hebt gericht”, legt Meerdink uit. “Als je daar overigens al op kan mikken”, vult Bongers aan, “want die kanonnen hebben een maximale elevatie [hellingshoek van de loop, red.], en wanneer ze vlak voor een gebouw staan opgesteld, krijgen ze de bovenste verdiepingen niet eens in het vizier”. Die les had het Sovjet-leger ook al in het Afghaanse hooggebergte geleerd, na de invasie van december 1979.

En dat is niet het enige zwakke punt van de gepantserde voertuigen. Het blikveld van de chauffeurs is beperkt en ook het pantser biedt op korte afstand geen bescherming tegen een goed gemikt schot met een anti-tank-granaat. Zoals een Afghaanse verzetsstrijder opmerkte toen de oorlog in dat land nog in volle gang was: “Wij hebben geleerd om gepantserde personeelsvoertuigen uit te schakelen door met een simpel geweer op de voorste wielen te schieten. Doordat het pantser in de wielkast zwak is, dood je daarmee de chauffeur. Het stilstaande voertuig schieten we vervolgens een RPG in de achterdeuren: daarin zitten de benzinetanks.” Dat zou een verklaring zijn voor de tientallen verkoolde lijken van Russische soldaten in de straten van de Tsjetsjeense hoofdstad.

Ook vallen bij straatgevechten veel gewonden. Meerdink: “Wij houden bij dit soort gevechten rekening met een ratio doden-gewonden van één op tien”. Indien de conservatieve schatting van Russische militaire bronnen van 500 doden juist is betekent dit dat inmiddels al ongeveer 5.000 Russische militairen gewond moeten zijn geraakt.

Waar het voor de Russen nu op aan lijkt te komen is een kwestie van logistiek. En dan niet van aanvoer van materieel, maar van manschappen. Volgens de jongste editie van het Amerikaanse legerhandboek An Infantryman's Guide to Urban Combat uit 1993 zijn “drie- tot vijfmaal meer manschappen nodig om een stad te veroveren dan om een verdedigingslinie in het open terrein te doorbreken”. Aangezien tactici in het laatste geval de verhouding van drie-tegen-één aanhouden, zou dat betekenen dat voor het innemen van Grozny per Tsjetsjeen negen tot vijftien Russische soldaten nodig zijn. Bongers en Meerdink houden het op “zeker tussen de tien en vijftien”.

Dat levert een interessante, zij het enigszins vrijblijvende rekensom op: een Russische divisie bestaat doorgaans uit zo'n 9.000 manschappen. Daarvan bestaat slechts een gedeelte - meer dan de helft is dat in de regel niet - uit echte gevechtstroepen; de rest wordt gevormd door bevoorradingstroepen, genie-eenheden, keuken- en staf-personeel. Indien de officiële, maar niet minder gekleurde berichtgeving van de Russische regering een aantal opgeeft van om en nabij de 2.000 “illegaal bewapende” Tsjetsjenen in Grozny, zijn nog altijd ongeveer twintig- tot vijfentwintigduizend Russische gevechtstroepen nodig om Grozny in te nemen: dat zijn zes Russische divisies. En daaronder zijn dus al meer dan 5.000 doden en gewonden gevallen.

Daarnaast moet rekening worden gehouden met het tactische feit dat wanneer een Russische divisie zeventig procent doden, gewonden of gewoon moegestreden soldaten moet betreuren, de zogeheten 'echelonwisseling' volgt: dan wordt een reserve-divisie in de strijd geworpen. De Tamanskaja-divisie - kern van de eerste aanvalsstrijdmacht van vier divisies - is intussen daadwerkelijk uit de strijd teruggetrokken. De conclusie is onontkoombaar: het Russische leger moet nog heel wat verse divisies aanvoeren wil de bezetting van Grozny een feit worden. Het verklaart ook waarom uit alle uithoeken van Rusland elite-troepen worden aangevlogen op de naburige vliegvelden van Mozdok en Vladikavkaz. Zelfs mariniers uit Vladivostok behoren tot de verse versterkingen.

Resteert nog een tactische vraag. Waarom beschiet de Russische artillerie het centrum van Grozny onophoudelijk met hun Grad (hagel), Uragan (orkaan) en Smertsj (windhoos) meervoudige raket-lanceerinrichtingen, hun helikopters en hun Soechoj-vliegtuigen? Maakt de in elkaar geschoten bebouwing en het daardoor onherkenbaar geworden stratenplan de verdediging niet veel eenvoudiger? “Zeker”, beaamt Bongers, “Maar toch is hier waarschijnlijk sprake van een duidelijke afweging. De bevoorrading van de Tsjetsjenen wordt op die manier vertraagd. En het is daarnaast wellicht een soort psychologische oorlogvoering tegen de nog niet gevluchte inwoners: wanneer de stad, op Tsjetsjeense strijders na, op de vlucht is geslagen, hoeven de Russen met de burgerij ook minder rekening te houden”. Het zal ongetwijfeld nog enige tijd duren voor de vlag van de Russische Federatie op het dak van het presidentiële paleis in Grozny wappert. Het is daarbij bovendien de vraag of de oorlog om Tsjetsjenië daarmee beëindigd zal zijn. “De Russen hebben weliswaar wodka”, zei een Tsjetsjeen gisteren, met een raketwerper in de hand, “maar wij hebben altijd nog Allah”.