Lang wil ze leven (2)

Wie niet meer werkt moet soms tientallen jaren teren op zijn AOW, pensioen, lijfrente, uitkering of vermogen. Die zorg vraagt financiële stuurmanskunst.

Een lezeres van in de zeventig krijgt AOW en tot eind dit jaar een lijfrente uit de zaak van haar overleden echtgenoot. Dus vanaf volgend jaar staan op de pluszijde van haar balans: het recht op AOW, een kapitaal uit de zaak van 350 duizend gulden en een eigen flat van circa anderhalve ton. Aan de minkant staan geen schulden of verplichtingen. Steunend op die gezonde balans wil ze tot in lengte van jaren op eigen benen blijven staan, onafhankelijk van de kinderen.

Wat doe je met die tonnen? Sparen, beleggen of storten bij een verzekeraar om er een lijfrente van te trekken? Ze heeft geen idee. Laten we de situatie eens benaderen van grof naar fijn, van grote lijn naar detail, top down in deskundigentaal.

Over de AOW hoeft ze niet na te denken, die loopt gewoon door waarschijnlijk, (licht) oplopend met de inflatie. De waarde van de woning, met uitzicht op zee, steeg de afgelopen jaren flink en zal waarschijnlijk verder oplopen. Wel moet ze de huurwaarde van circa 1.700 gulden opgeven als inkomen; wat de inkomstenbelasting (tarief 16,8 %) met 285 gulden verhoogt. Woning en AOW vragen derhalve geen aandacht, maar die 3,5 ton natuurlijk wel.

Welke eisen moet je aan passende beleggingen voor dit bedrag stellen? Moet deze moeder eigenlijk anders beleggen dan haar alleenstaande dochter van 35, die voor zichzelf werkt? De Amerikaanse auteurs Hirt, Block en Jury onderscheiden in een boek over beleggen verschillende punten en geven daaraan een waarderingscijfer van 1 tot 10, afhankelijk van omstandigheden als leeftijd, gehuwd, kinderen, tweeverdieners enzovoort. Zo baken je in het woud van financiële produkten een perkje af en worden de selectiekenmerken voor beide dames duidelijk.

Wat zeggen deze cijfers? Moeder moet inkomen trekken uit een belegging (cijfer 10) om van te leven, voor de dochter hoeft dit nog niet (1), want die trekt inkomen uit haar bedrijf en betaalt veel belasting. Zij ziet dus liever (8) fiscaal vrije kapitaalsgroei. De zorg voor de oudedag verschilt: voor iemand met pensioen is die maximaal (10), een 34-jarige waardeert dit mogelijk met een 4.

Wie 50 % belasting betaalt, zoekt ijverig (8) een (legale) weg om Zalm's ontvangers te ontlopen. Een 16,8 % 'er hoeft dat toch niet? De veiligheid van de belegde gelden (onder meer fraude, misbruik en onverantwoord advies) staat bij ouderen hoog (10) op de prioriteitenlijst, omdat ze een verlies bijna niet meer goed kunnen maken met werken.

Jong en oud hechten nagenoeg evenveel belang aan bescherming tegen (is: compensatie voor) inflatie; 6 en 7. Junior kan best wat (5) gokken op speculatiewinst, voor senior is dat, zegt het cijfer 1, natuurlijk uit den boze. Hoewel er (dubbel)plussers zijn die graag gokken op de beurs. Dat mag best, maar nooit met geld waar je van moet leven.

Een geschikte belegging voor de lezeres moet, menen Hirt c.s., vruchten (inkomen) afwerpen, makkelijk zijn om te zetten in geld (liquide), veilig zijn en beschermen tegen inflatie.

Daar komt nog iets bij: zo'n investering moet ook voldoen aan persoonlijke eisen en wensen. Mevrouw wil zo lang mogelijk zelfstandig wonen, desnoods met (zelf) betaalde hulp. Hetgeen wellicht impliceert verhuizen van de flat naar een woning met lift of gelijkvloers gelegen en/of kosten voor part-time hulp.

En ze wil de uitdijende schare van negen kinderen, aanhang en kleinkinderen blijven ontvangen en verwennen. Ergo: een flink huis blijft gewenst. Huurwaarde circa 1.250 gulden? Of liever wat kopen? Die keuze is nog niet aan de orde, maar je moet wèl proberen om de toekomstige kosten te schatten. Huur plus hulp 2.500 gulden per maand of 30 duizend per jaar, of 25 duizend?

Nog even dit. Mevrouw leeft zuinig en financieel onervaren ouderen hebben moeite met het beheren van beleggingen. Zelfs een eenvoudige brief in banktaal zaait al paniek. Daarmee zijn de grove lijnen geschetst en kan het fijne werk beginnen.

(wordt vervolgd, voorgaande artikel 9 januari)