Winst uit schoon werk; Economie dwingt industrie in Brazilië tot groen produceren

Brazilië was synoniem met ontbossing en vervuiling. Maar nu voltrekt zich een revolutie naar schoner produceren. Niet omdat de milieubeweging zegt dat het moet, maar omdat het bedrijfsleven ontdekt dat het zo meer verdient. Brazilië - onverwachte proeftuin van de duurzame ontwikkeling.

“The sky is green, the grass is blue”, zingt Marcia zachtjes als de weg de vallei van Cubatão induikt. Dit is steevast de somberste etappe tussen de mierenhoop São Paulo, waar zij en haar man Ciro wonen, en hun stille weekeind-huis aan zee. De staal-, kunstmest- en petrochemische fabrieken die in Cubatão opeengepakt staan, blazen een helse cocktail de lucht in die de Braziliaanse zon verduistert en de keel dichtdrukt. En als ze zondagsavonds terugrijden is het vaak nog angstaanjagender, zegt ze. Dan wordt de smoglaag die als een deksel op het keteldal ligt van onderen verlicht door hoogovens en oranje fakkels. “Bescherm het leven, doe je veiligheidsriem om”, adviseert de deelstaat São Paulo op borden langs de weg.

Hier kwamen in 1984 meer dan honderd mensen om door een explosie in een pijpleiding. Een jaar later moesten vijfduizend mensen worden geëvacueerd, nadat vijftien ton ammoniakgas was ontsnapt. De meeste van de honderdduizenden inwoners van de stad lijden wel aan een vorm van astma. Bij een kwart van de kinderen dat hier voor hun vierde jaar sterft, is een ziekte van de luchtwegen de oorzaak; in de rest van Brazilië is het nog geen tien procent. Dat er een verband zou bestaan tussen het gif dat jarenlang vrij in bodem, water en lucht kon worden geloosd en het aantal kinderen dat in Cubatão zonder hersens wordt geboren, is echter nooit bewezen.

“Geloof het of niet, het gaat hier toch al een stuk beter”, zegt Ciro. “Vroeger groeide op deze hellingen geen boom. Nu is alles weer groen.” Een dal verder schijnt de zon weer en zweven de vertrouwde fregatvogels in de lucht. In de berm verkopen vissers op blote voeten krabben die ze aan een ijzerdraad hebben geregen. De rivier waarin ze die vangen komt rechtstreeks uit het dal van Cubatão. Ciro mindert vaart om een maaltje te kopen. Dan bedenkt hij zich en geeft gas. De krabben durft hij wel te eten, maar het zou zonde zijn van zijn honger: de kofferbak ligt vol vlees dat hij vanavond op de barbecue wil leggen.

Cubatão zal in de Braziliaanse volksmond niet lang meer “vallei des doods” heten, gelooft ook Werner Zulauf, tot voor kort directeur van het bureau milieuzaken van de deelstaat São Paulo en nu wethouder met dezelfde portefeuille van de gelijknamige miljoenenstad. Onder druk van lokale en buitenlandse actiegroepen en de sinistere gezondheidscijfers inventariseerde hij in Cubatão ruim driehonderd vervuilingsbronnen. Volgens zijn ministerie is daarvan nu “negentig procent” bedwongen. Dankzij strengere vervuilingsnormen, boetes en wat Zulauf noemt “een nieuwe generatie lokale bestuurders”. Een telefoontje naar gouverneur of burgemeester - voor fabrieksdirecteuren het beproefde recept om een lastige controleur te lozen - helpt niet meer. Zodra Zulaufs snuffelpalen alarm slaan, krijgen bedrijven nu het bevel de verantwoordelijke produktielijn te sluiten. “Dat kost geld en dat is het enige argument waarvoor ze gevoelig zijn”, zegt Zulauf.

B razilië heeft zich nooit veel gelegen laten liggen aan het milieu. Door het enorme landoppervlak en de rijkdom aan grondstoffen kon het zich veroorloven de ogen te sluiten voor de kaalslag in de Amazone, de vervuiling door zware industrie in het zuidoosten en de erosie door mijnbouw in de oostelijke deelstaten. Er was immers altijd nog zoveel natuur over, dat het milieuschade kon afdoen als “een lokaal probleem”. Voor een Derde wereldland een kleine prijs om toegelaten te worden tot de Eerste.

Maar nu begint Brazilië te ontdekken dat de voorraden niet onuitputtelijk zijn en dat er grenzen zijn aan de vervuiling en verwoesting die het kan absorberen. Het land heeft bovendien oog gekregen voor het verband tussen de inefficiënte verbruikseconomie en de sociale problemen. Zoals het verarmende platteland, de metropolen met hun aanslibbende sloppenwijken, en het groeiende leger kanslozen dat de maatschappij de rug toekeert. Als sprinkhanen strijken ze in de laatste ongerepte gebieden neer om goud te zoeken of bos plat te branden voor een stukje landbouwgrond.

Sinds kort heeft Brazilië er een groep milieu-activisten bij gekregen: enkele grote bedrijven. Dat is even wennen. Want die zagen er tot dusverre geen been in om hun produktiekosten af te wentelen op hun arbeiders (die zij ongezond werk laten doen), op de consument (die zij een ondeugdelijk of onveilig produkt laten kopen) en op het milieu.

Dat laatste is aan het veranderen, vooral sinds de Verenigde Naties in 1992 in Rio de Janeiro hun conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED) hielden. Onder internationaal georiënteerde bedrijven in Brazilië begint het door de conferentie verbreide begrip sustainable development of duurzame ontwikkeling aan te slaan. Volgens dat principe kunnen economische groei en milieubehoud hand in hand gaan: groei hoeft niet ten koste te gaan van het milieu en omgekeerd hoeft het streven naar milieubehoud ontwikkeling en winst niet in de weg te staan. Met ideologische bevlogenheid heeft die omslag weinig te maken; zij ontdekken dat zij door 'groen' te produceren meer verdienen.

O p sommige gebieden zijn wij de meest behoudende onderneming ter wereld”, zegt een advertentie van de Amerikaanse autofabrikant General Motors in het Braziliaanse blad Veja. Er staat een foto bij van een brede rivier die door oneindig regenwoud vloeit. “Groene gebieden moeten groen blijven en schoon water schoon”, gaat de tekst verder. “Daarom probeert GM het milieu zo min mogelijk te belasten” en steunt het “actief herbebossingsprojecten in heel Brazilië”.

Zeker, voor de grootste autofabrikant ter wereld is natuurbehoud een marketing tool. Ook Brazilianen rijden het liefst met een gesust geweten in hun jeeps en minibusjes met airbag en ABS. Al verstikken zij met de walm van hun inferieure benzine de steden, aan GM zal het niet liggen. Toch zijn de investeringen in het milieu meer dan alleen make-up voor een milieu-onvriendelijk gezicht. GM heeft - na een pijnlijke leerschool in de VS - gemerkt dat investeren in schone technologie geen aflaat is, maar een vitale handeling.

Zo kreeg de firma toestemming om bij São Paulo een nieuwe fabriek te bouwen, omdat zij als enige voldeed aan de zeer strenge regels van het Environmental Protection Agency (EPA), het Amerikaanse ministerie voor milieuzaken, die de deelstaat nu hanteert. Gezien de stijgende vraag naar auto's in de aantrekkende economieën van Latijns Amerika is die positie benijdenswaardig. BMW en Lada, die ook een aanvraag hadden ingediend, kregen geen vergunning. “General Motors heeft laten zien dat milieubehoud en winst maken elkaar niet in de weg hoeven te zitten”, zegt een woordvoerster van het bureau voor milieuzaken in São Paulo.

N a het bijna-faillissement van de jaren tachtig moest de Braziliaanse overheid - net als de rest van Latijns Amerika - haar schaarse kasgeld noodgedwongen voornamelijk aan economische stabilisatie besteden. Milieubeleid raakte zo op de achtergrond. In de stroomversnellingen van de politiek gingen bovendien talloze ministers van milieuzaken en andere deskundigen kopje onder, mét hun moeizaam verworven kennis. Hun opvolgers konden gewoonlijk opnieuw beginnen. Internationale hulp - zoals het kwijten van schulden in ruil voor het instellen van reservaten door de regering - is niet veel meer dan een druppel op de gloeiende plaat gebleken.

Dat werd in Brazilië bovendien vaak uitgelegd als “nieuw imperialisme”. Het rijke deel van de wereld wil Brazilië zo de ontwikkeling ontzeggen die het zelf heeft gekend zónder zich zorgen te hoeven maken over het milieu, redeneerden Brazilianen. “De Amazone-bewoners willen hun welvaart vergroten door het regenwoud te ontginnen; dat recht kan niemand ons ontzeggen”, riep de gouverneur van de deelstaat Amazonas, Gilberto 'Motorzaag' Mestrinho, in 1992. “Ik ben gekozen door mensen, niet door bomen!”

Inmiddels keert het economische getij. De buitenlandse schuld (circa 120 miljard dollar) is gesaneerd. De handelsbeperkingen worden opgeheven, inefficiënte staatsbedrijven geprivatiseerd. Dank zij de behoedzame hervormingen van minister van economische zaken Fernando Henrique Cardoso, sinds twee weken president, keert de orde in de staatshuishouding terug. De losgeslagen inflatie is bedwongen zodat de burger weet dat een schotel bonen morgen evenveel kost als vandaag. En buitenlandse investeerders zijn minder bang dat hun dollars binnen een dag verdampen.

De economische opbloei doordringt een groeiend aantal bedrijven er van dat hun oude milieuopvattingen een risico inhouden. In de hele wereld worden steeds meer 'groene keurmerken' van kracht, die alleen worden verleend aan produkten die zijn gemaakt met zo min mogelijk milieuschade. Duitsland, Japan, Scandinavië en Canada lopen daarbij voorop. De Europese Gemeenschap introduceert volgend jaar zijn eigen keurmerk. De International Standards Organisation (ISO) werkt aan het invoeren van de ISO 14000-norm die betrekking heeft op de volledige 'levenscyclus' van een produkt. Die wordt na 1998 algemeen van kracht.

Het vasthouden aan schadelijke produktiemethoden levert misschien op korte termijn winst op, maar schrikt buitenlandse klanten en investeerders uiteindelijk af, beginnen Braziliaanse bedrijven te geloven. Het handelsoverschot (ruim dertien miljard dollar in 1993) en het grote aandeel daarin van vervuilende industrie (erts, staal, chemie en papierpulp) maken de economie dus extra kwetsbaar.

Volgens een recent onderzoek ondervindt ruim eenderde van de exportbedrijven nu al “druk op milieugebied” van importeurszijde. Tweederde van heeft daarom een milieu-policy. Daarin hebben zij sinds 1990 volgens de Braziliaanse bank voor sociaal-economische ontwikkeling (BNDES) 5,4 miljard dollar geïnvesteerd, zij het vooral om 'directe vervuiling' in te dammen. Een kwart doet ook aan 'milieu-management', waarin zijdelingse gezondheidsnormen worden betrokken. En hoewel steeds meer bedrijven hun milieu-beleid door experts van buiten laten toetsen, zijn zij nog sterk in de minderheid, noteerde de BNDES eind vorig jaar bezorgd.

Caraça, masker, heet de hoogste berg van de keten. Want dat zagen de indianen ooit in de steile wand. Weet de berg wel dat de indianen er niet meer zijn? Dat arbeiders de ijzerhoudende aarde aan zijn voeten weggraven, 24 uur per dag, met springstoffen en bulldozers, laag voor laag, in kilometers brede trechters? De berg kijkt onaangedaan. Gieren zweven door zijn blikveld. De wolken die met donkere regensluiers in hun zog voorbij trekken, zijn altijd anders en altijd dezelfde.

Brazilië is na de voormalige Sovjet-Unie de grootste exporteur van ruwe ijzererts ter wereld. Het merendeel daarvan ligt in de deelstaat Minais Gerais vlak onder het oppervlak. De naam zegt het al: Algemene Mijnen - hier hebben de gravers altijd vrij spel gehad. Van de Portugese founding fathers die hier in de zeventiende eeuw met hun negerslaven goud kwamen halen tot de kolossale mijnbouwbedrijven met hun gele Caterpillars die er beschikken over gebieden ter grootte van een stuk of wat Nederlandse provincies.

De bomen zijn rood bestoft langs de slingerweg naar de Alegria-mijn, een van de vier open mijnen van de firma Samitri, goed voor dertien miljoen ton ijzererts per jaar. Samitri en het staatsmijnbouwbedrijf Companhia Vale do Rio Doce (CVRD) mogen dan zeggen “in evenwicht met de natuur” te werken, hier is maar een conclusie mogelijk: zij eten de aarde op.

Toch is zelfs in deze sector een omslag merkbaar. “Voor ijzererts bestaat nog geen groen waarmerk”, zegt Marco Antônio Camargos Mendonça, hoofd planning van de Alegria-mijn, “maar wij ontdekken dat onze klanten ons meer vertrouwen als zij weten dat wij schoner produceren.” Zo probeert Samitri schade door erosie te beperken door uitgeputte aardlagen opnieuw te beplanten met inheemse gewassen. Het vloeibaar mijnbouwafval dat voor kort in de rivier liep, wordt nu opgeslagen achter speciale dammen. En de hoogovens waarmee de erts tot ruw ijzer wordt gesmolten worden in toenemende mate gestookt met houtskool die afkomstig is van aangeplant bos in plaats van regenwoud.

Samitri beschouwt ook zijn arbeiders niet langer als grondstof, zegt Camargos. Hij toont het fonkelnieuwe bedrijfsrestaurant waar het de 400 kompels geen dag aan de schijf van vijf ontbreekt. En trots wijst hij op het bord met de hoge Total Quality Management-score, een bedrijfsvoering die ook scholing, medische verzorging en sport in de resultaten betrekt. “Dit is geen opsmuk”, zegt hij. “Gelukkige, gezonde arbeiders werken beter. Wij hebben ontdekt dat investeren in de kwaliteit van het leven goed is voor de business.”

Hij rijdt de pit uit. Een dal verder is geen dragline, geen mens te bekennen. Tegenover ons rijst de wand van de Caraça loodrecht omhoog. Van deze afstand lijkt de berg begroeid met broccoli. Mist krult om de top. Camargos snuift de kruidige, bijna zoute geur van het oerwoud op. “Vroeger ging ik hier vaak even kijken als ik me ongelukkig voelde”, zegt hij. “Dan bedacht ik dat ginds wolven en wilde katten leven.” Als deze mijn is uitgeput, begint Samitri dan aan de berg? “Nee hoor”, zegt Camargos. “Dat is allemaal kwartsiet. Waardeloos.”

R adicale milieu-organisaties als Greenpeace verwerpen de gedachte dat economische expansie en milieubehoud zich laten combineren. Anderen, zoals de internationale milieu-denktank Worldwatch, zijn genuanceerder. Zij beseffen dat de combinatie van milieu en ontwikkeling nog grotendeels terra incognita is. Zo schreef Worldwatch vorig jaar dat de milieuaspecten van economische groei door vrijhandel “leiden tot ergerniswekkende contradicties”.

Enerzijds vinden vervuilende industrieën makkelijk onderdak in landen met een lakse milieuwetgeving, zoals in de maquiladoras-zone in het noorden van Mexico. Anderzijds krijgen juist arme landen zo meer geld om in schone technologie te investeren. En zo is vrijhandel aan de ene kant een uitnodiging om hardhout te kappen voor een fast buck. Maar door de lagere handelstarieven voor ándere goederen hoeven ontwikkelingslanden juist minder afhankelijk te zijn van de export van ruwe grondstoffen, aldus Worldwatch.

Zo wint - ook in de Amazone - de gedachte veld dat ontbossing uiteindelijk neerkomt op kapitaalvernietiging: het bos is weg en de overblijvende grond raakt snel uitgeput. Tegelijkertijd kan 'onverzaagd regenwoud' wel degelijk een bron van inkomsten zijn door het winnen van natuurlijke oliën, noten, vruchten, rubber, grondstoffen voor medicijnen, aroma's, pigmenten, hars, gom, latex, looistoffen, rotan en bamboe.

José Lutzenberger trad vlak voor de VN-conferentie in Rio af als minister van milieuzaken, nadat hij zijn eigen regering van “misdadig wanbeleid” had beschuldigd. Nu leidt hij in Porto Alegre, in het zuiden van Brazilië, een bedrijf voor de herinrichting van vernielde landschappen en een recycling-firma. Hij heeft veel lof voor de initiatieven van particuliere bedrijven als GM en Samitri, maar gelooft niet dat van de regering-Cardoso en van de staatsbedrijven veel heil te verwachten is. “Die zijn alleen in ontwikkeling geïnteresseerd, niet in het milieu”, zegt hij.

Ook Lutzenberger gelooft niet in 'duurzame ontwikkeling'. “Het dogma is dat we meer moeten groeien om het geld te verdienen om de bestaande schade op te ruimen. Maar daardoor richten we juist nóg meer schade aan. De Eerste wereld houdt er een suïcidale industriepolitiek op na. Pas als we vooruitgang niet langer vereenzelvigen met groei komt daaraan een einde.”

B ij Aracruz, de grootste fabrikant van cellulose-pulp ter wereld, herinneren ze zich de VN-conferentie nog goed. Toen blokkeerde het Greenpeace-schip Rainbow Warrior de haven van de firma, vierhonderd kilometer ten noorden van Rio, in de deelstaat Espírito Santo. Inmiddels heeft Aracruz zelfs hardliners in de milieubeweging overtuigd van zijn goede bedoelingen. Als ergens duurzame groei is bereikt is het wel hier: binnen de krimpende wereldmarkt voor pulp uit hout is het bedrijf er in geslaagd zijn produktie met een “minimale milieubelasting” meer dan te verdubbelen.

Aracruz produceert ruim een miljoen ton cellulose per jaar, waarvan 87 procent wordt geëxporteerd, vooral voor tissues en ander celstof-papier. Sinds de oprichting in 1967 is de fabrikant er in geslaagd die produktie voor honderd procent te dekken uit eigen bos, zonder meer bomen te rooien dan er zijn aangeplant. De energie voor het produktieproces wordt gewonnen uit het gas dat ontstaat door het pulpafval te laten gisten.

Aracruz zegt in de snelgroeiende eucalyptus-boom dan ook de ideale grondstof gevonden te hebben. Die bereikt in het heersende klimaat al na zeven jaar een volwassen hoogte van 35 meter (in Scandinavië duurt het dertig jaar). De 130.000 hectare bos die Aracruz bezit - ongeveer de provincie Utrecht - vormen de buffer om deze zevenjaarlijkse cyclus te voeden. Het merendeel daarvan bevindt zich aan zee, in een gebied dat in de vorige eeuw en het begin van deze al van zijn natuurlijke begroeiing was ontdaan en niet in het Amazone-woud waarmee Europese en Amerikaanse klanten Aracruz nogal eens identificeerden. “Cellulose uit 100 procent aangeplante eucalyptus”, stempelen machines voor de zekerheid toch maar op de witte balen die de produktielijnen uitbraken.

Ook een tweede “misverstand” is langzaam aan het verdwijnen, zegt Hélio Siqueira Pimentel, hoofd 'bos-operaties', “namelijk dat ons bos een groene woestijn zou zijn”. Op dat idee richtte Greenpeace in 1992 zijn pijlen: de monocultuur van eucalyptus zou de grond uitputten en in het eucalyptus-woud wil verder niets leven. Sinds enkele jaren voedt Aracruz de gerooide percelen met mineralen en mest, en bebost het voor elke 2,4 hectare eucalyptus een hectare met inheemse planten. Die zones doorschieten het produktiebos en garanderen een rijker planten- en dierenleven dan eerst, zegt Siqueira.

Die techniek vindt bij cellulose-fabrikanten in de hele wereld navolging. En behalve pulp exporteert Aracruz nu tevens miljoenen eucalyptus-plantjes per jaar. Door kloneren heeft het een eucalyptus-variant gekweekt met weinig zijtakken en een smalle kruin, zodat elke boom een minimaal grondoppervlak nodig heeft. Trots toont Siqueira zijn “kloontuinen” met onafzienbare rijen stekjes in bakken onder gaas dat de zon tempert. “Dit is geen natuurgebied”, zegt Siqueira terwijl hij zijn auto later door de naar Vicks-keelpastilles ruikende bossen stuurt. “Wij bedrijven een vorm van landbouw. Maar we ontzien het milieu zo veel mogelijk. Niet onder druk van buiten, maar omdat we er zelf van overtuigd zijn dat het goed is voor Aracruz.”

Op het fabrieksterrein rollen de vrachtauto's met stammen af en aan. Grote grijpers storten ze in de machine die ze verpulvert, waarna het koken, bleken en uitwalsen kan beginnen. De bassins waarin het grijsbruin schuimende afvalwater van Aracruz door bacteriën wordt gereinigd, liggen vlak achter het palmstrand en de oceaan. Een stijve bries voert een zeer opdringerige wee-zure geur over het fabrieksterrein. Went dat ooit? “Dat is goed voor de werknemers”, grijnst Siqueira. “Ik zeg altijd: zo ruikt geld.”