Theodor Holman

Deze week hebben enige 'gelovigen' een serieuze poging gedaan één van de fundamentele verworvenheden van onze westerse beschaving te ondermijnen, te weten de vrijheid van meningsuiting.

Als reactie op een stukje van Theodor Holman, waarin hij zich in gekruide taal uitlaat over christenen, meenden enige 'christelijke' journalisten hun toevlucht te moeten nemen tot de rechter om hem de mond te snoeren. Hem werd overtreding van art. 137c WvS ten laste gelegd. Voor zover deze letterlijke tekst of de rechterlijke interpretatie daarvan inderdaad zijn handelen zou omvatten, kan ik niet anders dan concluderen dat dit overblijfsel van de donkere middeleeuwen zo spoedig mogelijk uit ons Wetboek van Strafrecht dient te worden verwijderd. Afgezien van de vraag of Holman met zijn uitlatingen een fatsoensgrens heeft overschreden, heeft hij groot gelijk als hij stelt dat iedereen de vrije keus heeft om al dan niet als christen door het leven te gaan, en zodoende op die keuze mag worden aangevallen, zonder dat er sprake is van discriminatie of smaad. De reden waarom ik hierboven 'gelovigen' tussen aanhalingstekens heb geplaatst, is dat die aanklagers in mijn ogen afbreuk doen aan hun eigen geloof door deze zaak voor de rechter te brengen. Als het inderdaad zo is, zoals vaak door christenen wordt beweerd, dat men een enorme kracht uit het geloof put, kan men zich niet echt gegriefd voelen door een artikeltje als dat van Holman. De beste reactie op de hele affaire kwam dan ook van de vrouw die opmerkte dat Holman zich later bij god wel zal moeten verantwoorden. En daarmee dient de strafrechtelijke kant van de zaak te zijn afgesloten.