Hoe en wat in het Hunzib

De talen van de Kaukasus vormen een op zichzelf staande familie. Sommige hebben maar een paar honderd sprekers en worden niet geschreven. Daaronder het Hunzib, dat nu voor het eerst in kaart is gebracht.

Linguïstisch gesproken is de Kaukasus een lappendeken, met ieder dal zijn eigen taal - bij elkaar een op zichzelf staande taalfamilie. In het zuiden overheerst het Georgisch, in het noordwesten het Abchazisch en in het noordoosten heb je weer het Tsjetsjeens en de Dagestaanse talen. Van die laatste zijn er ruim dertig, en wellicht meer omdat het onderscheid tussen taal en dialect niet altijd even duidelijk is. Buiten Dagestan, een bergachtige moslimrepubliek aan de Kaspische Zee, twee miljoen inwoners in een gebied iets groter dan Nederland, worden ze praktisch nergens gesproken.

Van de Dagestaanse talen (zie kader) worden er acht geschreven: samen met het Russisch vormen ze de officiële talen binnen de republiek en ze worden gebruikt in het onderwijs, in kranten en op radio en televisie. De rest wordt alleen gesproken, thuis, in het dorp en met de buren, sommige talen door niet meer dan een handjevol bergbewoners. Veel van die mini-talen zijn nog altijd niet in kaart gebracht, met het gevaar dat ze door het overwegend gebruik van het Avaars en het Russisch nog eens zullen degenereren of verdwijnen. Maar sinds het gebied voor kaukasologen, zowel uit Rusland als daarbuiten, is ontsloten, daagt er hoop dat via veldwerk de Oostkaukasische talen voor de vergetelheid zullen worden behoed.

Voor het Hunzib, een Dagestaanse taal behorend tot de Tsez-groep, is inmiddels een beschrijving beschikbaar. De kaukasologe en slaviste Helma van den Berg, verbonden aan de vakgroep Vergelijkende Taalwetenschappen van de Rijksuniversiteit Leiden, promoveert deze maand op het proefschrift A Grammar of Hunzib (with texts and lexicon). Sinds 1990 is Van den Berg vier keer naar Dagestan afgereisd om als oio (onderzoeker in opleiding) in dienst van de Stichting Taalwetenschap ter plekke taalkundig veldwerk te verrichten. Opvallend detail is dat Van den Bergs proefschrift, dat onder leiding van promotor prof.dr. F.H.H. Kortlandt en 'dagelijks begeleider' dr. H.J. Smeets tot stand is gekomen, het derde in successie is bij VTW in Leiden dat binnen de gestelde termijn van vier jaar is afgerond.

Culturele akkoorden

Vooraf had Van den Berg, die tijdens haar opleiding vijf kaukasische talen passief leerde beheersen, een schamele honderd bladzijden aan vakpublikaties over het Hunzib - korte schetsen met veelal dezelfde inhoud - bij elkaar weten te sprokkelen, alles in het Russisch en daterend uit de jaren zestig. “Er zouden nog maar 600 Hunzib-sprekers zijn en ik vond het dringend tijd die taal aan te pakken. Vergelijk me maar met een bioloog die het veld intrekt om een zeldzame soort te beschrijven.”

Eerst reisde de Leidse onderzoekster naar Moskou om in archieven van de de Lenin bibliotheek Hunzib-verwijzingen na te trekken. Daarna kon ze naar Dagestan. “Met een uitnodigingsbrief van de Russische Akademie van Wetenschappen, anders kom je nergens, terwijl ik mijn visum dankte aan de Russisch-Nederlandse culturele akkoorden. Verder had ik om niet op te vallen oude kleren bij me, waaronder een hoofddoek, en cadeautjes als medicijnen, chocola, koffie, kleding en zelfs kocht ik gasflessen op lokale markten omdat geldelijke beloningen in gastvrij Dagestan nu eenmaal niet kunnen.”

In Machatsjkala, de Dagestaanse hoofdstad aan de Kaspische Zee (op 160 km van het Tsjetsjeense Grozny), trof Van den Berg in het plaatselijke Akademie-archief zomaar een Hunzib-Russisch woordenboek aan, twintig jaar geleden door een lokale geleerde opgesteld maar door papierschaarste of uit geldgebrek nooit uitgegeven. Veel gebruik heeft de Leidse onderzoekster er overigens niet van gemaakt. “Doelbewust, om iedere schijn van diefstal van gegevens te vermijden.”

De afdeling Dagestan van de Akademie van Wetenschappen reageerde beleefd én onthutst op Van den Bergs onderzoeksplannen. “De Hunzib die ik wilde opzoeken leven in het gewest Tsoentinskij, in drie zeer geïsoleerde bergdorpen op 350 kilometer van Machatsjkala. Water kwam er uit de rivier, er was nauwelijks elektriciteit, elementaire voorzieningen op het gebied van hygiëne ontbraken en, zo meenden mijn Dagestaanse gastheren, zulke ontberingen kon je een jonge westerse vrouw niet aandoen.”

Maar Van den Berg zette door. “Ik had mijn zinnen op die taal gezet en moest en zou naar Hunzib, het bergdorp waarnaar de taal is vernoemd.” Via achtereenvolgens de partijvoorzitter en de burgemeester van Tsoentinskij, die weer een kennis had in een dorp vlakbij Hunzib met het enige badhuis uit de omgeving in zijn tuin, kwam alles toch nog op zijn pootjes terecht. Oktober 1990 vertrok de kaukasologe voor een maand naar de bergen. Maar van het beschrijven van de taal kwam weinig terecht: de mannen waren te druk met hun schapen, met het verzamelen van hout voor de winter en met het schieten van een enkele beer, terwijl de vrouwen - bij gebrek aan oefening - te weinig Russisch spraken om voor het onderzoek nuttig te kunnen zijn. Niettemin liet Van den Berg oudere vrouwen verhalen en sprookjes vertellen, die ze op de band opnam. Met de ontberingen viel te leven: “Afgezien van het schapehoofd dat ik voor mijn ontbijt kreeg en wat pubers die me lastig vielen, ging het prima.”

Behalve de duizend Hunzib in het gewest Tsoentinskij wonen er nog eens duizend in de Dagestaanse kuststreek, afkomstig uit Georgië waaruit ze in 1968 vertrokken zijn. In die eveneens gesloten gemeenschap van hechte clans, twee straten in het dorp Stalsk op veertig kilometer van Machatsjkala, leerde Van den Berg haar hoofdinformante kennen: Soekajnat, een Hunzib-vrouw van haar leeftijd en leidster bij de pioniers, de communistische jeugdbeweging. (Na de val van het communisme is in Dagestan veel bij het oude gebleven.) Op dezelfde school werkten nog twee oudere leerkrachten die eveneens Hunzib waren en Russisch spraken.

Met deze drie informanten is Van den Berg minutieus aan het beschrijven geslagen. Woord voor woord werden de bandjes uit de bergdorpen volgens de regels van het IPA-alfabet (International Phonetic Association) genoteerd, vertaald en geanalyseerd. “Zo kwam ik erachter welke betekenisonderscheidende klanken het Hunzib heeft, hoe in die taal met het zelfstandig naamwoord wordt omgesprongen, welke naamvallen ze gebruiken, welke werkwoordstijden er allemaal zijn, enzovoort. Met het aantal Russische leenwoorden viel het mee, de meeste komen uit het Arabisch, Perzisch en Turks.”

Suffixen

Toen Van den Berg bij volgende bezoeken haar informanten opnieuw benaderde, bespeurde ze op den duur een zekere tegenzin, al lieten ze dat uit beleefdheid niet blijken. “Ik kon het wel invoelen, 'daar heb je haar weer', zag je ze denken. Maar ja, wij kaukasologen zitten er voor de suffixen en de werkwoorden. Die ondervragingen vergen engelengeduld, zie het verschil tussen elf verleden tijden maar eens netjes onder woorden te brengen, daarover heb je als leek gewoon nooit nagedacht.”

Het resultaat van al dat taalkundig muggeziften is nu vastgelegd in een proefschrift met daarin een grammatica, een corpus aan Hunzibteksten en een lexicon van tweeduizend woorden. Bij het analyseren viel het Van den Berg op dat er, in tegenstelling tot de gangbare mening onder kaukasologen, nauwelijks verschil bestaat tussen het Hunzib in de bergdorpen en dat in de laagvlakte. “Hooguit verdwijnen aan de kust specifieke termen voor grassoorten, dieren en instrumenten die alleen in de bergen voorkomen, maar de structuur is hetzelfde. Ik ben nog een keer naar het gewest Tsoentinskij teruggegaan om Garboetli en Nachada, de twee hoger gelegen Hunzibdorpen te bezoeken, maar vond slechts onbetekenende dialectgeledingen.”

Eén van Van den Bergs stellingen luidt dan ook dat het ongeschreven Hunzib, dat op geen school wordt onderwezen, er relatief beter voor staat dan het geschreven en getalsmatig veel grotere Darginisch, de taal die waar ze zich de komende jaren als post-doc mee gaat bezighouden. “Het Darginisch mist een goede standaard en heeft veel dialectvariatie. Het gebruik ervan neemt af, vaak door huwelijken met anderstaligen. Hunzib trouwen binnen de familieclan en alleen in hun spaarzame contacten met de buitenwereld wordt in de bergen overgeschakeld op Avaars en in de laagvlakte op Russisch.”

Wat de Leidse kaukasologe betreft is na vier jaar intensief onderzoek haar bemoeienis met het Hunzib afgesloten. “Wil je die taal van binnenuit beschrijven, dan moet je er voor langere tijd tussen gaan zitten. Het wachten is op een geletterde Hunzib die zijn eigen taal beschrijft.”

Kaukasische talen

De talen van de Kaukasus vormen een zelfstandige familie, net als de Indo-europese, de Altaïsche, de Semitisch-Hamitische of de Eskimotalen. Terwijl de Indo-europese en de Semitische talen door vele miljoenen mensen worden gesproken, is het bij de Kaukasische talen eerder regel dat er slechts enkele duizenden sprekers zijn. Toch verschillen ze even sterk.

De Kaukasische talen met in totaal circa 10 miljoen sprekers zijn onderverdeeld in drie groepen: Zuidkaukasisch, Noordwestkaukasisch en Noordoostkaukasisch.

De zuidelijke groep omvat het Georgisch, het Mingreels, het Laz en het Svan. De noordwestelijke groep bestaat uit het Abchazisch, het Adygees (Westtsjerkessisch), het Kabardisch (Oosttsjerkessisch) en Oebych. De Noordoostkaukasische talen bestaan uit de Nach-groep, waartoe het Tsjetsjeens, het Ingoesjeets en het Bats behoren, met daarnaast de Dagestaanse talen.

Dagestaanse talen, waar Helma van den Berg onderzoek naar deed, vallen weer uiteen in drie groepen: Avaars-Andi-Tsez, Lak-Darginisch en Lesgisch. Op zes na worden ze uitsluitend in Dagestan gesproken. Een schatting van het aantal sprekers van verschillende Dagestaanse talen, ontleend aan Jazyki Naradov SSSR uit 1967:

Avaars-Andi-Tsez-groep: Avaars 239.400, Achwach 5000, Andi 9000, Bagwal 4000, Botlich 3000, Tsjamalal 4000, Godoberi 2500, Karata 5000, Tindi 5000, Bezjta 2500, Hinoech 200, Hunzib 600, Chvarsji 1000, Tsez 7000.

Lak-Darginisch-groep: Lak 64.000 en Darginisch 160.000.

Lezgi-groep: Agoel 6700, Artsji 1000, Boedoech 1000, Chinaloeg 1000, Kryz 6000, Lezgi 110.000, Roetoel 7000, Tabasaraans 35.000, Tsachoer 7000, Oedi 3700.

    • Dirk van Delft