DZJOCHAR DOEDAJEV; Gered door fouten van Russische leiding

Dzjochar Doedajev, president van het separatistische Tsjetsjenië, is sinds 2 januari niet meer in het openbaar gezien - en de televisie-uitzending waarin hij op die dag verscheen was mogelijk al eerder opgenomen. Volgens de Russen is de man die in 1991 zijn land van de Russische Federatie losmaakte na de “totale en definitieve nederlaag” naar een dorp bij Grozny uitgeweken.

Drie helden kent de Tsjetsjeense geschiedenis. Sjeik Mansoer leidde de eerste heilige oorlog tegen het Russische imperialisme, tussen 1785 en 1791; imam Sjamil leidde tussen 1824 en 1859 de tweede oorlog, die begon met de heilige belofte van de tsaristische generaal Jermolov aan tsaar Alexander I om “niet te rusten zolang er nog één Tsjetsjeen in leven is” - een oorlog die na 35 jaar en een half miljoen doden eindigde toen twintigduizend Russen Sjamil en zijn laatste vijfhonderd getrouwen tot overgave dwongen. En de derde was Bajsangoer, die de strijd toen nog vier jaar voortzette.

Dzjochar Doedajev, die in 1991 de Tsjetsjeense onafhankelijkheid uitriep die de Tsjetsjenen nu tegen een superieur bewapende overmacht verdedigen, zou de vierde held uit de geschiedenis van zijn volk kunnen worden. Immers, zo zei dit weekeinde de Russische generaal Aleksandr Lebed, als de Russen met hun bloedige interventie één ding hebben bereikt, dan is het dat alle Tsjetsjenen zich als één man achter de onafhankelijkheid hebben geschaard. Zelfs een deel van de oppositie die Doedajev sinds midden vorig jaar met door Moskou geleverde wapens heeft bestreden, is naar hem overgelopen toen op 11 december de Russische inval begon.

Doedajev is de slimste hoofdrolspeler in het Tsjetsjeense drama. Wat trouwens niet zoveel zegt, want de Russen hebben veel psychologische fouten gemaakt. Ze hebben de ongeschreven wetten van de trotse en traditionele Kaukasische bergvolken met voeten getreden. Nog voordat ze binnenvielen hebben ze de Tsjetsjeense oppositie tegen Doedajev gebundeld in een Voorlopige Raad, maar die raad vol eigen mensen gezet - een affront dat een aantal van Doedajevs critici, zoals Roeslan Labazanov, tot overlopen heeft gebracht en de rest een quisling-imago heeft gegeven.

Ze hebben die Voorlopige Raad zo opzichtig met geld, wapens en manschappen gesteund en zich zo minachtend uitgelaten over de religieuze en nationale tradities van de Tsjetsjenen - hun zikr bijvoorbeeld, de rituele dans waarmee de Tsjetsjeense mannen de wilde geesten verdrijven - dat de weifelaars onder de Tsjetsjenen in de armen van Doedajev werden gedreven. En toen de Russen eenmaal aanvielen, werd niet gerept van de strijd tegen 'tegenstanders' of 'vijanden', maar uitsluitend van 'criminele benden' en 'bandieten' en werd glashard ontkend dat er burgerdoden vielen: er waren alleen bandieten gedood.

Het leek wel of die openlijke minachting ten doel had de allerlaatste Tsjetsjeen tegen de Russen in het harnas te drijven. De ignorantie en de arrogantie van de Russen is een gouden wapen in handen van Doedajev geworden: Jeltsin en zijn adviseurs zijn er in geslaagd de eeuwenoude haat tegen de Russische indringers volop tot leven te wekken.

Die arrogantie is heel oud. 'Beheers de Kaukasus' (Vladikavkaz), zo noemden de Russen in de vorige eeuw al een van de garnizoensplaatsen van waaruit ze dit gebied onderwierpen.

De Tsjetsjenen mogen zich dan als één man rondom Doedajev hebben geschaard, toch is het onwaarschijnlijk dat de geschiedenis de frêle generaal een heldenstatus zal toekennen: daarvoor is zijn populariteit toch te veel ontleend aan de miskleunen van Moskou. Doedajev had namelijk, voordat de Russen in december aanvielen, de populariteit die hij drie jaar geleden in eigen land ontegenzeglijk had, goeddeels verspeeld.

Wie is Dzjochar Doedajev eigenlijk? Vladimir Jemeljanov, een verslaggever van het Russische blad Moskovskii Novosti, werd in november 1992 door zijn krant naar Grozny gestuurd om de eigenwijze generaal op te zoeken. Toen hij na het vraaggesprek vertrok, zo schreef Jemeljanov vorige maand, was dat met “de ijzeren vastbeslotenheid niets te schrijven over wat ik had gehoord”. Waarom? Omdat Doedajev - in strijd met Jemeljanovs verwachting, en in strijd met de verwachtingen van zijn opdrachtgever - een aardige man bleek te zijn. En dat mocht en wilde Jemeljanov niet schrijven.

Dzjochar Doedajev is in menig opzicht een waardig vertegenwoordiger van zijn volk: hij respecteert de bergwetten met hun enorme nadruk op eerlijkheid en persoonlijke en collectieve eer en de heilige bloedwraak en de onmogelijkheid van capitulatie, want wie zich overgeeft geeft zijn eer op. Hij gelooft in het afdwingen van respect door kracht. Op Jemeljanovs vraag: “Wat droomde u als kind later te worden?” antwoordde de generaal zonder aarzeling: “Generaal!”.

Doedajev werd geboren vlak voordat Stalin in 1943 opdracht gaf zes Kaukasische bergvolken, waaronder de Tsjetsjenen, in hun geheel naar Siberië en Kazachstan te verbannen wegens hun vermeende collaboratie met de nazi's; de helft van hen overleefde het transport niet. De ballingschap heeft Doedajev (en hem niet alleen) getekend. Hij woonde de eerste elf jaar van zijn leven in Kazachstan en naar eigen zeggen zwoer hij als kind wraak op de Russen. Hij koos voor een carrière in de Sovjet-luchtmacht en klom op tot de rang van generaal - de eerste Tsjetsjeen die dat bereikte. In de nadagen van de Sovjet-Unie was Doedajev commandant van een basis voor lange-afstandsbommenwerpers in Estland. Hij maakte indertijd - binnenskamers - geen geheim van zijn sympathie voor de Baltische onafhankelijkheidsstrijd en zijn banden met de Balten zijn nog steeds goed: nergens in de ex-Sovjet-Unie is de solidariteit met de Tsjetsjeense zaak zo groot als in het Balticum.

In 1990 nam Doedajev ontslag en keerde hij naar Grozny terug om de Tsjetsjeense onafhankelijkheidsstrijd te leiden. Hij richtte een oppositiefront op dat soepel de macht overnam toen de oude communistische leiding in 1991 het veld moest ruimen. Op 27 oktober 1991 werd hij met 85 procent van de stemmen als president gekozen en riep hij eenzijdig de onafhankelijkheid uit. Hij gaf zijn volk een vlag, een wapen, een volkslied en een leger van drieduizend man.

Veel meer heeft hij dat volk welbeschouwd niet gegeven. De generaal, een kleine man met een dun snorretje, die in uniform lijkt te verdrinken onder een veel te grote generaalspet en die in burger met zijn slappe vilthoed en een Italiaans maatpak uit een tweederangs slapstickfilm uit de jaren dertig lijkt te zijn gestapt, is allesbehalve een democraat. Zijn parlement heeft hij al lang geleden aan de kant gezet. Hij heeft de economie te gronde laten gaan. De olie-inkomsten zijn spoorloos verdwenen in de zakken van zijn ministers die er mooie paleizen voor bouwden en er welgevulde bankrekeningen op na hielden. Volgens velen heeft Doedajev zelf 400 tot 500 miljoen dollar op Zwitserse rekeningen staan. Doedajev is een president met megalomane trekjes. Hij droomde jarenlang hardop van een nieuwe hoofdstad, te bouwen door de Britten, en van vijftien compleet nieuwe steden voor 50.000 inwoners elk, te bouwen door de Turken. Hij liet de schilderijen van zijn vrouw exposeren in Europese hoofdsteden en kocht ze zelf terug voor bedragen waarvoor alleen grote meesters worden gekocht. Intussen werden in Tsjetsjenië geen lonen en pensioenen meer uitbetaald en verkommerde de economie tot een steentijdmodel van ruil en straathandel. Oppositie was gevaarlijk: menigmaal zijn opposanten 's ochtends onthoofd op straathoeken aangetroffen. Toen Rusland zich al te nadrukkelijk begon in te spannen om hem ten val te brengen, riep Doedajev zijn landgenoten op tot terreuracties in Rusland, onder andere tegen kerncentrales.

Voor de Tsjetsjenen lijkt dat inmiddels niet meer van belang: velen vechten niet in eerste instantie voor Doedajev, maar voor Tsjetsjenië. Boris Jeltsin heeft hen beledigd door hen in eigen huis aan te vallen. En de onaantastbaarheid van het eigen huis is heilig voor de Tsjetsjenen.