Steinmeijer aast op failliet kledingbedrijf Bendien Smits; Textielbaron haalt weer geld uit Twente

Eerst kocht hij de noodlijdende huishouddivisie van Nijverdal-Ten Cate, later werden de failliete ondergoedfabrikant L. ten Cate en textielonderneming Van Heek-Scholco ingelijfd. Geert Steinmeijer (40) ontpopte zich binnen enkele jaren van automatiseerder bij HCS tot een rasechte textielbaron. Thans is hij in gesprek over overname van de failliete herenkledingfabrikant Bendien Smits. “Ik geloof in textiel. In Nederland kun je er nog steeds rijk mee worden.”

GEESTEREN, 7 JAN. Toen hij vier jaar geleden de huishouddivisie van Nijverdal-Ten Cate kocht, wist hij niets van textiel. “Ik heb eerst maar eens het boek Textiel Warenkennis deel 1 aangeschaft, voor de meest elementaire kennis.” De rest leerde hij in praktijk. “Nu ben ik ècht geïnteresseerd in bedtextiel, bh's en boekbinderslinnen. Ik geloof in textiel, het is een hardstikke leuk produkt, je ziet het overal om je heen.” In 1993 maakte het bedrijf voor het eerst in jaren weer een bescheiden winst. Dat gaf “een heel goed gevoel”. “Er keihard tegenaan gaan, je als directeur bezighouden met de dingen op de werkvloer, dat is mijn ambitie. Niet alleen een bedrijf kopen, maar er echt iets van maken. Van tevoren wist ik: we komen eruit.”

Tien jaar lang werkte Geert Steinmeijer in de automatisering. Bij Wang, Philips en later bij HCS. Een “heel fijne tijd” waar hij “leuke dingen” heeft gedaan, zegt hij achteraf. Bij HCS was hij nauw betrokken bij de sanering van dochter Microlife, een reorganisatie die zijn leven ingrijpend zou veranderen. “Dat was zulk leuk werk dat ik geen zin meer had om voor een baas te werken, ik wilde voor mezelf beginnen.”

Via ABN Amro kwam hij in contact met particulier investeerder W. Cordia, een bekende naam in de offshore, en M. Laqueur van de investeringsmaatschappij VCI. Hun oog viel op de noodlijdende huishouddivisie (bed-, bad- en keukentextiel) van het Twentse bedrijf Nijverdal-Ten Cate. Steinmeijer: “De raad van bestuur riep al twee jaar dat hij van die divisie af wilde. Dat had de motivatie van het personeel niet bepaald gestimuleerd. Dus toen ik hier kwam, heb ik gezegd: 'mensen, luister, ik ben gek op textiel, textiel is een produkt dat het heel goed kan doen op de markt'. Mensen denken vaak dat er enorme verschillen zijn tussen de automatisering en de textiel. Dat valt dus erg mee. In beide gevallen heb je te maken met mensen, kapitaal en een produkt. Als je nou maar zorgt dat je niet te veel mensen hebt en niet te veel vreemd kapitaal, moet 't in principe goed gaan.”

Desondanks vergde de reorganisatie van de oude Nijverdal-Ten Cate-divisie meer tijd dan verwacht. In plaats van één jaar duurde het tweeënhalf jaar voordat de onderneming uit de rode cijfers was. Steinmeijer: “Ik had afgesproken met Nijverdal-Ten Cate en de bonden dat ik niemand van de 225 werknemers zou ontslaan. Daardoor bleven de produktiekosten te hoog. Op een gegeven moment heb ik dus toch mensen moeten ontslaan. Dat was heel sneu en daar heb ik ook wel een paar nachten wakker van gelegen.” Nu werken nog 90 mensen bij de divisie, die werd omgedoopt in Stoneville. “Dat is de naam van een Amerikaanse katoensoort, die ik aantrof in mijn Textiel Warenkennis deel 1”, licht Steinmeijer toe.

Met de sanering van Stoneville kreeg Steinmeijer de smaak van het reorganiseren goed te pakken en in augustus 1992 nam hij, opnieuw financieel bijgestaan door Cordia en Laqueur, het al twee maal failliet verklaarde bedrijf L. ten Cate over, fabrikant van foundation, oftewel ondergoed. Een geweldig innovatief bedrijf, aldus Steinmeijer. In de jaren vijftig bracht L. ten Cate - een 'dissident' lid van de gelijknamige familie die het bewind voerde over het bedrijf Nijverdal-Ten Cate - als eerste in Europa nylons op de markt. Ook geldt hij als de uitvinder van vierzijdig elastisch katoen, nog altijd het belangrijkste produkt van het 125 werknemers tellende bedrijf. De reorganisatie van L. ten Cate verliep aanmerkelijk voorspoediger dan die van Stoneville. Al een jaar na de overname behaalde het een bruto winst van 2,3 miljoen gulden. “Dat hadden ze hier al tien jaar niet meer meegemaakt.”

Marketing en restyling waren de codewoorden bij de reorganisatie van Stoneville en L. ten Cate. Van een “overdreven” aandacht voor de produktie stuurde de nieuwbakken directeur zijn aanwinsten in de richting van de marketing. Het marketingbudget ging vorig jaar met maar liefst 50 procent omhoog. Steinmeijer: “Bij andere textielbedrijven zie je vaak dat men in moeilijke tijden gaat bezuinigen op marketing. Nou, dan kun je dus op het faillissement gaan zitten wachten.” Hij heeft het creatieve denken ingevoerd bij zijn bedrijven, betoogt Steinmeijer. “Mijn vrouw zei: 'Jullie maken zulke klassieke damesslips, heb je niet wat met een kantje?' Dus ik naar de produktie-afdeling om te vragen of ze wat met een kantje konden maken. Zegt de produktie-afdeling: 'Sorry, dat past niet in ons produktieproces'. Zo maakten ze hier ook geen bh's. Gewoon, omdat ze dat nooit hadden gedaan. Dat bedoel ik nou: men zat vast aan bepaalde ideeën, zonder op de markt te letten. Ik zeg altijd: produktie is de service-afdeling van de marketing, niet andersom.”

Ook aan de collecties is het nodige gesleuteld. Steinmeijer pakt een folder van beddegoed en wijst op een gebloemd dessin met veel kant en tierelantijn. “Zo was vroeger 95 procent van het bedtextiel. Bloemetjes, bloemetjes en nog eens bloemetjes. Daar hebben we dus iets aan 'toegevoegd', zal ik maar zeggen. We doen nu aan life-style. We hebben tegenwoordig ontwerpen van Jan des Bouvrie en Frans Molenaar, en onze produkten liggen bij de Bijenkorf en het Parijse warenhuis Lafayette. De omzet is vorig jaar 10 procent gegroeid. Laatst hebben we een lingerie-show gehad bij Jan des Bouvrie. Tout lingerie-land was er!”

Pag.15: Rijk worden in textiel

In de zomer van 1994 volgde de derde acquisitie. Het textielbedrijf Van Heek-Scholco in Losser werd ingelijfd bij de 'Steinmeijer-groep'. “Een schitterend bedrijf”, weet de kersverse directeur te vertellen. Het maakt onder meer wondverzorgingsprodukten, boekbinderslinnen en lamellen, en exporteert zelfs naar China.

De toekomst ziet er rooskleurig uit, aldus Steinmeijer. De zeven werkmaatschappijen van Stoneville, L. ten Cate en Van Heek draaien alle met winst. Het boekjaar 1994-95 zal naar verwachting een geconsolideerde winst van 4 à 5 miljoen gulden brengen, bij een omzet van 120 miljoen gulden. Van de produktie wordt 60 procent afgezet in Nederland, de rest wordt geëxporteerd naar onder meer België, Duitsland en Scandinavië.

Over de malaise in de Nederlandse textielindustrie, die het aantal werknemers terugdrong van 95.000 in 1960 tot 22.000 in 1992, kan hij kort zijn. “Het gaat heel goed in de textiel, als je tenminste zorgt dat je produkten maakt die aanspreken. Je moet niet gaan zitten wachten tot mensen toe zijn aan een nieuwe dekbedovertrek of een nieuwe onderbroek, dat duurt te lang.”

Steinmeijer denkt dat de arbeidsintensieve textielproduktie geheel zal verdwijnen naar de lage-lonenlanden, maar dat de 'hoogwaardige' produktie in Nederland blijft. “Als je een produkt elders beter of goedkoper kunt laten maken, moet je dat doen. Maar ik ben in India, Brazilië en China geweest en daar kan ik vierzijdig elastisch katoen alleen laten maken als er eerst enorm veel know-how en geld heengaat. Dan is het niet meer interessant.”

Of hij de Joep van den Nieuwenhuyzen van de textiel is? “Nee, ik heb enorm veel bewondering voor hem, maar ik ben een heel ander persoon. Hij praat over honderden miljoenen en regelt orders per autotelefoon. Ik blijf de nuchtere Twentenaar die heel kleinschalig bezig is. Ik ben niet uit op lucky shots, ik groei liever langzaam maar stabiel. Ik ga me ook niet buiten de textiel begeven, ik kan me geen 25 acquisities per jaar permitteren, ik ben tevreden met één aanwinst per jaar. Ik hoop dat ik iets heb van Pierre Vinken van Reed-Elsevier. Geen luxe, geen flauwekul, maar een reële kijk op zaken.”

Dit jaar wil Steinmeijer de bedrijven Stoneville, L. ten Cate en Van Heek-Scholco onder één naam 'naar buiten' brengen. “Dat is duidelijker, bovendien kunnen we op die manier beter laten zien dat we meetellen op de textielmarkt. Sommige beursgenoteerde bedrijven als de Textielgroep Twente of Blydenstein-Willink, zijn qua omzet kleiner dan onze groep.”

Een notering aan de beurs heeft hij voorlopig niet nodig, zegt Steinmeijer. “We verdienen genoeg geld. Met textiel kun je in Nederland nog steeds rijk worden.”