Wantrouw de engelen; Dichter Max Jacob, eeuwig de knecht van Picasso

In 1901 zag de Franse dichter Max Jacob bij een kunsthandelaar werk van een onbekende negentienjarige Spanjaard. Hij liet een briefje achter waarin hij zijn bewondering uitte. Kort daarna maakte hij kennis met de schilder, Pablo Picasso. Het was het begin van een vriendschap die het leven van Jacob tekende, zoals blijkt op een expositie in het Parijse Picassomuseum.

Max Jacob et Picasso. Musée Picasso Hôtel Salé, 5 rue de Thorigny, Parijs; tot 6/2 (9.30u-17.30u; dinsdag gesloten).

Op de hoek van de rue Madame en de rue Vaugirard, vlakbij het Luxembourg, is de boekhandel van de schrijver Marcel Béalu. Hij is vorig jaar gestorven, vijfentachtig jaar oud, maar zijn vrouw Josée heeft de zaak voortgezet. Veel poëzie en beeldende kunst, soms vind je er voor weinig geld een zeldzame eerste druk.

Het schaars verlichte bruine interieur ziet er net zo slordig uit als toen Béalu, half verscholen achter een paar stapels boeken, aan z'n tafeltje zat te schrijven en de klant altijd even aarzelde om hem voor zoiets alledaags als afrekenen te storen. Het was maar het beste om te kuchen of met een hand per ongeluk tegen de tafel te stoten. Zuchtend legde hij zijn pen neer. Als hij het geld stug in ontvangst nam keek hij nog naar zijn laatste regels.

Op die tafel liggen nu enkele boeken van Béalu zelf en zo is hij toch in zijn eigen zaak aanwezig. Het is of hij ze zelf heeft uitgestald, want daar ligt ook Dernier visage de Max Jacob suivi de lettres à Marcel Béalu. Die uitgave moet hem zeer dierbaar zijn geweest.

Béalu maakte kennis met Jacob in het voorjaar van 1937. De vooral om zijn vriendschap met Picasso bekend geworden dichter was toen zestig jaar en woonde min of meer vergeten in een zijkamertje van een hotel in Saint-Benoît-sur-Loire. Hij had er van 1921 tot 1928 ook al gewoond, was daarna teruggegaan naar Parijs om in 1936 voorgoed naar het rivierdorpje terug te keren.

Samen met twee andere leraren van de middelbare school in het nabijgelegen Montargis wilde de toen achtentwintigjarige Béalu aan Jacob vragen of hij bereid was een lezing voor een groep scholieren te houden. Toen ze elkaar ontmoetten werd er over dat verzoek nauwelijks nog gesproken. Jacob leidde het gesprek licht en geestig, op de toon van zijn poëzie, meteen naar de meest uiteenlopende onderwerpen. Hij was, schrijft Béalu, een meester van 'de bedwelmende kletspraat'. “Kijk een fazant,” zei hij op die eerste middag, “een fazant, moeten we niet op onze knieën vallen en huilen?”

Dat bezoek liep uit in een vriendschap van zeven jaar. Jacob en Béalu begonnen elkaar onstuimig te schrijven. Alleen Jacobs brieven zijn in Dernier visage gebundeld. De eerste druk van dit in 1959 bij uitgeverij E. Vitte (Lyon-Paris) verschenen boek van driehonderddrieëndertig bladzijden is nog steeds te koop. Het maakt misschien niet voor niets deel uit van de reeks 'singuliers et mal connus'.

Picasso komt in al die brieven maar een paar keer voor, het uitvoerigst op 8 mei 1937. Een jongeman is er trots op dat hij Jacob kent, een dichter die Picasso en Braque in hun begintijd nog heeft meegemaakt. Hij begrijpt niet dat Jacob ook nog zoveel jongeren ontvangt. Die kunnen toch niet in de schaduw staan van de grote meesters. Misschien niet, zegt Jacob, maar als ik vroeger niet met volslagen onbekenden was omgegaan, had jij tegen mij nu niet zo bewonderend over hun latere roem kunnen spreken.

Béalu was een van de latere onbekenden. In zijn portret van Jacob, waarmee het boek begint, probeert hij de dichter los te maken van de geschiedenis waarin deze dan al is verankerd. Hij schrijft dat Jacob in de eerste verhalen wordt afgeschilderd als iemand die de pispot van Picasso leegde. Door die al in het begin van de jaren twintig verschraalde vriendschap met de grote schilder wordt het zicht op Jacobs eigen werk volkomen verduisterd.

Bizar gedrag

De tekst van Béalu stamt uit 1945, ruim een jaar na de dood van Jacob, toen de roem van Picasso al onaantastbaar was. De jonge schrijver correspondeerde niet alleen met de oudere dichter, hij bezocht hem ook iedere week en lette op de kleinste bijzonderheden van zijn bizarre gedrag. Béalu's 'laatste gezicht' is levendiger dan de nu kunsthistorische portretten die Picasso tussen 1901 en 1921 van Jacob maakte. “Cocteau schreef me een keer: ik zit in Bordeaux waar de engelen met me spreken... Ik antwoordde hem meteen met dit telegram: wantrouw de engelen...”

Met de inwoners van Saint-Benoît kon hij goed opschieten, de caféhouder, de timmerman, hij sprak met iedereen. Ook als hij een schim in de duisternis zag nam hij zijn hoed af, “ik weet wel niet wie het is, maar in zo'n geval groet ik toch altijd, je weet het maar nooit...”

Vooral de korte proza-gedichten uit Le cornet à dés (1917) hebben dezelfde licht vileine toon als de scènes en de gespreksflarden die Béalu noteerde. Jacob zei dat hij schreef om z'n aandacht ergens op te kunnen richten. Dernier visage laat het voorportaal zien van die poëzie.

De twee vrienden gaan een tabakshandel in om een doosje lucifers te kopen. “Ik neem een klant voor u mee,” zegt Jacob tegen de winkelier. En zacht tegen Béalu: “Dat is nu eens een nuttige opmerking...” Weer buiten vertrouwt hij hem toe dat ze hem in het dorp vanmiddag met X en gisteren met Y hebben gezien. Ze zullen zich wel afvragen wat al die mannen bij hem komen doen. Op een dag vraagt z'n hospita na het vertrek van een bezoeker: “Weer iemand die u les in de dichtkunst hebt gegeven?” En dat vond Max Jacob het grappigste dat ooit tegen hem was gezegd.

Die door Béalu geschetste dichter ontbreekt op de tentoonstelling Max Jacob et Picasso die tot 6 februari in het aan de schilder gewijde museum is te zien. Picasso overschaduwt hem volkomen. Vaak is Jacob slechts de geringe aanleiding om een overbekend schilderij opnieuw te tonen. Hij heeft het verkocht aan een familielid, hij was erbij toen het voor het eerst werd tentoongesteld, hij zag hoe het werd geschilderd of noem nog maar en ander voorval dat past bij de rol van eeuwige knecht.

De expositie draait om een aantal hoogtepunten in hun vriendschap. Later was Jacob zo vriendelijk om die op verzoek van anderen steeds weer te beschrijven, alsof er in zijn leven nooit iets anders is gebeurd.

Onbekende Spanjaard

In 1901 zag Max Jacob bij de kunsthandelaar Ambrose Vollard werk van een onbekende negentienjarige Spanjaard. Hij liet een briefje achter waarin hij zijn bewondering uitte. Kort daarna maakte hij kennis met Picasso.

Twee jaren later waren ze zo arm dat ze samen woonden op een hotelkamer. Er was maar één bed, de een sliep 's nachts, de ander overdag. Door Picasso was Jacob het dichten toen al ernstig gaan nemen. Hij had in een lange nacht z'n jeugdige probeerselen voorgelezen. De Spanjaard begon te huilen, noemde hem de grootste dichter van zijn tijd en bezwoer hem ermee door te gaan.

Op een avond in 1907 zag Jacob hoe Matisse Picasso een Afrikaans afgodsbeeldje liet zien: “Wat denk je daarvan?” Het bleef stil. De volgende dag lagen in Picasso's atelier met Oostindische inkt betekende vellen papier. Profiel met twee ogen, borsten als een driehoek, het kubisme was geboren. De dichters Apollinaire, Salmon en Jacob begrepen er in het begin helemaal niets van.

In de herfst van 1909 doet Jacob de ontdekking van zijn leven: op de muur van zijn kamer in de rue Ravignan verschijnt God. Zes jaar later, op 18 februari 1915, laat hij zich als jood tot het katholicisme bekeren. Hij neemt de naam Cyprien aan en Pablo Picasso is zijn peetvader.

Op 4 juni 1927, als hij Picasso al lang niet meer ziet, vraagt zijn moeder hem nog eens naar die eerste tijd en weer begint Jacob het braaf uit te leggen. De dichters Apollinaire, Salmon en Jacob zijn fantaisisten die het moderne leven met het gedicht hebben vermengd, ze namen er dromen, zinsbegoochelingen en gekkenpraat in op. En ook in het kubisme speelde de zogenaamde werkelijkheid geen grote rol meer, kijk, de voorstelling staat helemaal op zichzelf, maakt hoogstens nog een toespeling op het leven dat u kent.

Aan die zo langzamerhand heilige data en décors probeerde Béalu Jacob nu juist te onttrekken, maar ook in het Picassomuseum wordt de dichter er weer aan vastgekleefd. Het is wel aardig om ook de aquarellen en tekeningen van Jacob te zien, maar die leggen het natuurlijk af tegen het geweld van Picasso. Ze versterken de indruk dat Jacob niet meer dan een volgeling was die blij mocht zijn met de prachtige gravures die de ander voor zijn boeken maakte.

Jacob heeft het er wel een beetje naar gemaakt. Het wemelt op de expositie van briefjes en kaartjes met de zoetsappigste vriendschapsbetuigingen. Als hij zich in 1921 terugtrekt in het klooster van Saint-Benoît geeft hij als de belangrijkste reden dat hij genoeg heeft van het bandeloze Parijs en niet meer naar een gemaskerd bal of een avondje in Le boeuf sur le toit wil. Misschien begreep hij ook dat de vriendschap met Picasso ten einde was, al probeerde Jacob die nog wel met een enkel briefje tot leven te wekken. Maar hij hoorde zo goed als niets meer. Picasso was op hem uitgekeken.

Had een olifant een mug verpletterd?

Op 12 augustus 1916 nam Jean Cocteau een reeks foto's van op een terras en in de straten van Montparnasse dollende vrienden. De schilders Ortiz de Zarate, Modigliani en Kisling zijn erbij en daar lopen ook Picasso en Jacob. De dichter zoekt het gezelschap van de schilder en hij lijkt er zelfs voor te zorgen dat hij achter hem komt te staan om onzichtbaar te worden gemaakt.

Max Jacob vereenzelvigde zich zo volledig met Picasso dat bijna niemand hem nog ernstig nam. In de brief aan zijn moeder blijkt hij de waarde van zijn eigen werk heel goed te beseffen. Toen was het al te laat.

Zo trof Marcel Béalu hem in het voorjaar van 1937 aan. Niet rancuneus, min of meer tevreden met zijn lot, volop aan het werk en blij met de aandacht die hij weer kreeg van de jeugd. Die herkende zich vooral in zijn eenvoudige en humoristische gedichten. Hij verwonderde zich erover dat er geen centaurs van mensen en bomen bestonden, waarom altijd alleen die vermening van mens en dier? Godsdienstwaanzinnige teksten schreef hij, maar ook regels als “mijn kleren op de stoel zagen eruit als een dode harlekijn.”

Op 24 februari 1944 werd hij door de Gestapo gevangen genomen. Zijn meeste familieleden waren toen al weggevoerd. In het kamp Drancy kreeg hij longontsteking. Hij stierf op 5 maart.

In de catalogus ontspint zich nog een hele discussie over welke vrienden hem hebben geholpen of in de steek gelaten.

Béalu wist het eerst van zijn arrestatie en stelde Cocteau op de hoogte. Die schreef een verzoekschrift tot vrijlating, maar het is niet zeker of dat ook echt is verstuurd. Picasso zou helemaal niets hebben gedaan, maar een ander beweert weer dat hij wel degelijk bereid was iets te doen. In elk geval reageerde hij niet op Jacobs wanhopige brief van 9 februari 1944. Wel verliet hij op 10 oktober 1944, een paar maanden na de oorlog, een feestje waarop iemand de ribfluwelen broek van Max Jacob aan had.

“Kijk maar,” zei Jean Cocteau, “de knieën zijn door het bidden versleten.”

Drie huizenblokken

Drancy ligt een kilometer of zes ten noordoosten van Parijs, niet ver van het vliegveld Le Bourget. Het kamp bestond uit drie huizenblokken die in een U-vorm tegen elkaar liggen. De huizen zijn vlak na de oorlog weer bewoonbaar gemaakt en bieden nu uitzicht op een goederenwagen en een beeld die hier ter nagedachtenis aan de naar Auschwitz vervoerde joden, zigeuners en vreemdelingen zijn geplaatst.

Vanuit deze 'anti-chambre des camps de la mort' zijn honderdduizend gevangenen op de trein gezet. Vijftienhonderdachttien kwamen er terug en tweehonderdzesenvijftig werden er als gijzelaars neergeschoten.

Kinderen spelen op het met bomen begroeide plein dat als appèlplaats moet hebben gediend. De huizen zien er goed verzorgd uit en als je door een glazen deur naar binnen kijkt doet het ruime trappenhuis met zijn bruinwitte tegelwand en lichte ramen aan een eens nieuwerwetse school denken.

Van niemand wordt een naam genoemd. Iemand heeft bedacht dat er voor Max Jacob een uitzondering moest worden gemaakt. Naast een buitendeur hangt een plaquette met deze woorden: “En ce haut lieu un martyre juif le poète Max Jacob est mort le 5 mars 1944.”

Hij is op de bovenste verdieping gestorven. Ramond Weille, de dienstdoende arts, schreef in een brief van 22 februari 1993 aan Helène Henry, secretaris van Les Amis de Max Jacob, dat hij in zijn stervensuur “Een priester, een priester!” riep.

Die was er niet. Een paar katholieke vrouwen hebben toen voor hem gebeden.

Een van Jacobs laatste proza-gedichten uit Saint-Benoît-sur-Loire luidt:

“Wie heeft de pad een straat zien oversteken? Het is een heel klein mannetje, niet groter dan een pop. Hij sleept zich op z'n knieën voort, hij schaamt zich, zou je denken... Nee, hij heeft reumatiek, hij sleept met een been, hij trekt het weer bij! Waar gaat hij naar toe? Hij komt uit de goot, arme clown. Niemand heeft die pad op straat opgemerkt. Vroeger bekeek niemand me op straat, nu lachen de kinderen me uit om m'n gele ster. Gelukspad! Jij hebt geen gele ster.”