De massa twijfelt nooit

Literatuur zou een hardnekkige terreur moeten uitoefenen op vastgeroeste denkbeelden; dat is het verlangen dat spreekt uit de roman MAO II van de Amerikaanse schrijver Don DeLillo. Is het niet het beste voor een schrijver om, net als een terrorist, altijd een gevaarlijke buitenstaander te blijven? Rubriek over boeken die om onbegrijpelijke redenen in de ramsj zijn gegaan.

Don DeLillo: MAO II. Vert. Frank van Dixhoorn. Uitg. Bert Bakker, prijs ƒ 9,90 bij De Slegte.

Is De Slegte een graftombe voor literatuur die het nooit zal halen of een baarmoeder waarin boeken vol vertrouwen wachten op gretige lezers? Een roman die niet gelezen wordt bestaat niet, een gelezen roman is tot leven gewekt.

Henry James, Flannery O'Connor, Thomas Pynchon, Don DeLillo: het zijn niet de minste Amerikaanse schrijvers die bij De Slegte hopen op onze leeslust. Van DeLillo is de vertaling van zijn recentste roman te koop: MAO II (1991). Ik vond het pijnlijk om aan te zien. Zo'n belangrijk boek, zo'n alarmerende roman waarin de schrijver tot op het bot gaat!

Hoe beelden mensen kunnen manipuleren en beperken in hun bewegingsvrijheid - het is een obsessie voor DeLillo. Aan MAO II liggen drie foto's ten grondslag, vertelde de schrijver in een BBC-programma over zijn werk: een foto van een massahuwelijk van Moonsekteleden in een stadion, een foto waarop de al jaren teruggetrokken levende auteur J.D. Salinger wordt 'betrapt' en een foto van Mao, waarop Andy Warhol - die van de reproduktie van beelden leefde - variaties heeft gemaakt. Die drie beelden geven aan waar MAO II over gaat: terreur in verschillende gedaanten, de maatschappelijke positie van de schrijver en de manipulatieve kracht van een image.

De personages in MAO II zoeken het licht, dat wil zeggen God, de verlichting van de dood, de flits van het artistieke inzicht of de dageraad van de politieke utopie van gelijkgestemden onder de dwingende leiding van een grote roerganger. 'De toekomst is aan de massa's' luidt de onheilspellende slotzin van de proloog van het verhaal: een al tientallen jaren geïsoleerd levende en mede daardoor beroemd geworden schrijver, Bill Gray, laat zich eindelijk weer fotograferen en wordt door zijn uitgever verleid terug te keren naar de maatschappij om een pleidooi te houden voor een in Beiroet gegijzelde Zwitserse dichter. De uitgever lokt zijn auteur - een mengeling van Pynchon, Salman Rushdie en Salinger - uit zijn tent door te suggereren dat juist schrijvers de woede van politieke terroristen moeten begrijpen. 'Door de gehele geschiedenis heen is het de romancier geweest die affiniteit voelde met de gewelddadige man die in het donker leeft. Waar liggen jouw sympathieën? Bij de koloniale politie, de bezetter, de rijke landheer, het corrupte bewind, de militaristische staat? Of bij de terrorist?'

Wat kan een schrijver antwoorden? Dat schrijven niet hetzelfde is als journalistiek of politiek bedrijven. Stel je voor, iemand zit in een kamer, denkt iets wat meteen uitlekt. Elke gedachte is toegestaan en er bestaat geen moraal meer of enig onderscheid tussen denken en doen. Zo wordt de werkelijkheid uitgevonden, zo werken terroristen. Wat kan een schrijver daar tegenover stellen? Bill Gray formuleert het zo in een gesprek met een terroristenleider: 'De winst van terroristen is het verlies van de schrijvers. Het bereik van hun invloed op het massabewustzijn is het terrein dat wij verliezen als vormers van emotie en geest. Het gevaar dat zij vertegenwoordigen staat gelijk aan ons falen om gevaarlijk te zijn.'

De kunst zou een hardnekkige terreur kunnen uitoefenen op vastgeroeste denkbeelden en waarnemingsmechanismen. Dát is het verlangen dat uit MAO II spreekt. Het belangrijkste literaire vuurwerk bestaat tegenwoordig uit explosies in de lucht en instortende gebouwen, beweert DeLillo's alterego Bill Gray. 'Dat is het nieuwe tragische verhaal.'

Don DeLillo betreedt met MAO II een terrein dat schrijvers afschrikt. Als schrijver wil hij net zo serieus genomen worden als de terrorist. Is het niet het beste om, net als de terrorist, een gevaarlijke buitenstaander te blijven, permanent van perspectief te wisselen, zoals in MAO II gebeurt, en zich al schrijvende te identificeren met slachtoffers en daders? De schrijver kan in de huid van een dictator kruipen terwijl de roman, MAO II, een 'democratische kreet' blijft vol dubbelzinnigheden, tegenspraken, geruchten en toespelingen - iets wat natuurlijk niet past in het denkraam van een terrorist van de daad.

Bill Gray schrijft over de in Beiroet gegijzelde dichter om hem weer betekenis te geven. 'Als je iemand straft die niet schuldig is, als je kamers vult met onschuldige slachtoffers, beroof je de wereld van haar betekenis.' De schrijver schept een personage om 'vorm te geven aan bewustzijn, om het bereik van interpretaties te vergroten.'

MAO II gaat over twee werelden die nooit bij elkaar komen: het geregisseerde bestaan van diepgelovigen en het leven van de individualist die zijn denken niet laat dwingen maar voortdurend twijfelt. De massa twijfelt nooit, de mens in de menigte ontleent zijn identiteit aan iets dat buiten hemzelf ligt. Terroristen menen de geschiedenis te kunnen dicteren en manipuleren, de schrijver is een zinnenmaker, een zoeker naar zin en waarheid aan het einde van elke zin die hem vormt.

De wereld van het tirannieke geloof in een utopie die DeLillo in MAO II schetst kan alleen tot stand komen als de dwarsliggers, onder wie de schrijver die zich niet de wet laat voorschrijven door wat de massa denkt, worden uitgeschakeld. MAO II is een pleidooi voor permanente tegendraadsheid. Het kapotgeschoten Beiroet in de roman had natuurlijk net zo goed Sarajevo kunnen heten. Of Djokjakarta, in december 1948.