Barbeknoeien bij het huis

Michiel Nales: Alles kan. Met illustraties van Jette Rol. Uitg. Querido, 112 blz. Prijs ƒ 24,90

Sommige schrijvers hebben een opmerkelijk talent voor het gewone. Ze steken hun neus buiten de deur - of zelfs dat niet, alleen maar boven de dekens uitkijken is voor dezulken al genoeg - en hoep, daar zien ze iets wat wij ook wel hadden kunnen zien maar niet zagen, of we hadden weer niet in de gaten gehad hoe bijzonder het eigenlijk was. Zij wel, maar ze zeggen er niet bij: opletten, dit is bijzonder. Integendeel, ze doen alsof alles heel gewoon is. Toch krijgen hun dagen, althans in hun beschrijvingen, een kleur die die van de gemiddelde lezer niet hebben.

Michiel Nales is zo'n schrijver met wijd open ogen, oren en neus. Hij neemt er soms eens goed de tijd voor om tot zich door te laten dringen wat hij nu eigenlijk ziet en ruikt. In Italië aan het strand bijvoorbeeld, gaat hij onder een blauwe luifel staan (zo'n schrijver zou nooit vergeten te vermelden dat het om een blauwe luifel gaat, blauw geeft immers een donkere koele schaduw, heel anders dan zonnig geel of oranje) en doet zijn ogen dicht. “Luchtjes en geluiden. Ik mix ze in mijn hoofd door elkaar. Het ruisen van de zee. Zonnebrandolie. Geklapper van zeildoek in de wind. Koffiegeur. Zee, teer en een stem door de krakende microfoon: 'Luca Rosa al telefono'.” Hij gaat nog even door, en wie met aandacht leest ruikt ook de gebakken vis, hoort de man die kokosschijven verkoopt 'kokoriko' roepen, voelt de hitte - die is ook met vakantie kortom. Die krijgt zin om de zee in te rennen. Net als Michiel Nales. Maar die kan niet rennen. Dus die schrijft enthousiast: 'Vlug m'n stoel parkeren en dan de zee in!'

Michiel Nales is vijftien en hij zit in een rolstoel. Lopen kan hij niet, wel kruipen. Hij moet dus over het hete strand kruipen waarbij zijn moeder steeds een handdoek voor hem neer legt zodat hij niet door het gloeiende zand hoeft. Een andere keer kruipt hij de ellenlange trap van een reuzeglijbaan op. 'Kun jij wel zwemmen?' vraagt de badmeester als hij bijna boven is. Want mensen stellen erg stomme vragen aan iemand die niet kan lopen. 'Nou zeg...ik ga toch niet dat hele eind klimmen als ik niet kan zwemmen? Ik kan niet lopen maar wel nadenken,' schrijft Michiel. Hij laat kruipend een vlieger op en hij kruipt naar het raam om de sneeuw te zien waar hij al maanden op heeft gewacht. En nooit moppert hij daarover, nooit is hij verongelijkt of klagerig over zijn lot. Michiel heeft een wonderbaarlijke zin in het leven. En een wonderbaarlijk talent om daarover te schrijven.

De dingen die de jongen in de rolstoel meemaakt zijn alledaagse bijzonderheden. De stukjes uit Alles kan, ook al zo'n opgeruimde titel, zijn eerder op de Kinderpagina van deze krant verschenen. Tezamen vormen ze een soort rondgang door het jaar, door een paar jaar eigenlijk. Het wordt zomer en Michiel is veerman in een rubberbootje, Sinterklaas arriveert in de sneeuw, de chocoladeletters zijn op wat voor de chocoladejunk een groot probleem is, het gezin bekijkt een videofilmpje van vroeger waarop vijf lege gipsbenen van Michiel te zien zijn, hij rijdt in zijn rolstoel over het ijs terwijl zijn moeder achter hem schaatst, hij speelt met zijn neefjes - het kleine neefje van Michiel is reusachtig vertederend met zijn slissende spraak - hij is verliefd op zijn poes die later verongelukt. Gewone dingen, maar ongewoon beschreven.

Het ongewone schuilt hem, behalve in het goede humeur en de frisse blik, in de opeenvolging van zinnen en in de bijzondere beelden. De poes ligt op de donsdeken als 'een croissantje met oortjes' en als het zesjarige neefje binnen gehoorsafstand van Michiel zegt dat hij zeven is, schrijft Michiel: 'Ik hou m'n mond. Partners in crime.' Hij vindt achteloos het woord 'motsneeuw' uit en schrijft al even terloops: 'We barbeknoeien met z'n allen bij ons huisje.' Hij is als schrijver niet ijdel, hij pronkt niet met vondsten, het lijkt of alles hem even natuurlijk uit de pen vloeit. Hij is een talent, deze piepjonge auteur, die zo verrukkelijk kinderlijkheid en volwassenheid mengt. Hij wil niet naar huis bellen als hij heimwee heeft want 'Dat is zo basisschoolachtig.' Hij gaat naar Parijs waar 'mooie meiden' zijn en in één adem door schrijft hij 'En vrijdag gaan we ook nog de hele dag naar Eurodisney.'

Dat Michiel in een rolstoel zit maakt zijn blik anders, het maakt de wereld een stuk minder vanzelfsprekend. Maar dat verklaart toch niet waarom zijn verhaaltjes zo goed zijn. Die zijn zo goed omdat hij zo eerlijk en aandachtig is, en vooral omdat hij schitterend kan schrijven. Pas vijftien jaar. Wat staat ons nog allemaal te wachten.