Open Universiteit kan omslag naar markt niet aan

HEERLEN, 4 JAN. De Open Universiteit dreigt aan haar problemen ten onder te gaan. Want een heldere missie en strategie ontbreken. Ingrijpende veranderingen in organisatie en leiding zijn nodig.

Gisteren werd bekend dat dit diagnose is van organisatiebureau Twijnstra Gudde in zijn 'management audit'. Zolang het eindrapport niet klaar is zwijgen de onderzoekers en de onderzochten over de oorzaken, maar de voortekenen waren de afgelopen tijd duidelijk genoeg om de nieuwe crisis te voorzien, de tweede in het tienjarig bestaan van de instelling.

Tot nu toe had de Open Universiteit één zorg: cursussen produceren. Men kon zich geen tweede blamage permitteren als die in 1985, toen de inschrijvingen moesten worden opgeschort omdat de cursussen niet op tijd klaar waren. Maar nu vrijwel alle 320 cursussen uit voorraad leverbaar zijn, blijken andere problemen te lang te zijn verdrongen. De financiële steun van de overheid, die nu nog driekwart van de kosten draagt, daalt de komende jaren met tien miljoen gulden, op een budget van tachtig miljoen. Het heeft al geleid tot een beperking van het personeelsbestand van 860 tot minder dan achthonderd.

En tot overmaat van ramp zijn ook de eigen inkomsten uit de cursusverkoop voor het tweede achtereenvolgende jaar met ruim vijf procent gedaald. In 1992 verkocht de OU nog 82.000 cursussen, in 1994 waren dat er nog maar 71.000: een inkomstenderving van ruim twee miljoen gulden.

“De Open Universiteit kan de omslag van een aanbod- naar een vraaggerichte instelling niet maken”, zegt prof.dr. T. Groot, vice-decaan van de economische faculteit van de OU. “De instelling is te bureaucratisch en te centralistisch om haar mooie produkt in de markt te kunnen houden. Het doet mij een beetje denken aan de jaren zeventig: veel vergaderen en weinig beslissen.” Groot werd vorig jaar door de OU als bedrijfseconoom ingeschakeld om naar verbeteringen te zoeken. Hij stelde voor om de faculteiten zelf meer verantwoordelijk te maken voor hun inkomsten. Dat systeem is op 1 januari ingevoerd. Populaire faculteiten als bedrijfs- en bestuurswetenschappen die bijna een kwart van de verkochte cursussen voor haar rekening neemt, rechten en sociale wetenchappen (beide twintig procent) zullen daarvan veel meer profiteren dan de anderen zoals technische wetenschappen (acht procent) of natuurwetenschappen (zes procent).

De discussie over de toekomst is verlamd door de patstelling tussen het management, dat van de Ou een bedrijf wil maken dat aanbiedt wat de markt vraagt, en de wetenschappelijke staf, die het aanbod primair wil laten afhangen van de eigen wetenschappelijke verdiensten. In tegenstelling tot de gewone universiteiten is de staf niet direct vertegenwoordigd in het bestuur.

De Open Universiteit werd in 1984 opgericht voor iedereen die een eerste kans op hoger onderwijs had gemist of die niet op de traditionele manier wilde studeren. De behoefte aan dat type onderwijs was verzekerd, zo werd verwacht. Maar de werkelijkheid is na tien jaar heel anders. De 'tweede-kansers' komen wel, maar in veel kleinere aantallen dan de calculerende burgers die al een opleiding op hogeschoolniveau achter de rug heeft en met een uitgekiend pakketje cursussen nieuwe carrièreperspectieven wil openen. Lager opgeleiden haken massaal af nadat ze eenmaal een cursus hebben besteld.

Dat de goed opgeleide calculerende burgers in de meerderheid zijn, heeft grote consequenties. Zij kiezen geen volledige opleiding, maar een afgemeten pakket cursussen op het gebied van bedrijfskunde of bestuursrecht. “Moeten we daarvoor nu een traditionele universiteit met zeven volledige faculteiten openhouden, vraagt een medewerker zich af. De wetenschappelijke staf heeft na een uitgebreide discussie eerder dit jaar volmondig ja op die vraag geantwoord. Zonder een goed geoefende wetenschappelijke staf kan immers de kwaliteit van de cursussen, die nu buiten kijf staat, niet worden gehandhaafd. Maar het college van bestuur wijst op het geldgebrek en op het feit dat de OU niet zoals de andere universiteiten geld krijgt om eigen onderzoek te doen.