Heilzame stoom

Niet één dag van de vorige week heb ik met het publiek vervoer het centrum van Athene kunnen bereiken. Steevast moesten we bij het Zappion de bus of trolley verlaten en te voet verder. Zaterdag was er een grote begrafenisstoet die langs het parlementsgebouw trok, maar alle dagen tevoren was er poría (mars).

De poría is een Grieks fenomeen dat de laatste jaren wortel heeft geschoten en niet meer lijkt te kunnen worden opgeruimd. Enkele duizenden of honderden die zich gedupeerd voelen, soms gepensioneerden, soms arbeiders, soms studerenden, trekken in optocht door het stadscentrum, al het verkeer urenlang stremmend. Niet zelden gaan ze op de rijweg zitten totdat een minister hen te woord heeft willen staan.

Het Atheense publiek is er al helemaal aan gewend geraakt, maar dat betekent niet dat men er zich bij neerlegt. Voor mij, die nog maar één of twee haltes verder moet, is het allemaal niet zo erg, maar voor wie dwars door het centrum wil rijden naar het andere deel van de stad is het een hard gelag. Men hoort een heel scala van, meestal ingehouden, vloeken. Gewoonlijk is er ook wel een man (nooit vrouw) die verzucht: waar ben je, Papadopoulos? (dictator tussen 1967 en '73, en het antwoord is: in het gevang). Maar hij krijgt opvallend weinig weerklank. Er is geen roep om een nieuwe dictator, maar de doffe gelatenheid waarmee de ex-passagiers hun wandeling beginnen is wel zo onheilspellend.

Op warme dagen, en in rechtse buien, komt bij mij wel eens de vraag op: waarom worden ze eigenlijk niet van de straat gespoten, zoals in andere hoofdsteden? Maar, enigszins tot mijn verbazing, heb ik deze gedachte nog niet verwoord gezien, ook niet schriftelijk. Men gaat niet verder dan de verzuchting: waarom zorgt de politie niet dat die paar honderd jongelui over het trottoir lopen?

De vorige premier, Mitsotakis, heeft wel eens aangekondigd paal en perk te zullen stellen aan deze folklore, maar het is er nooit van gekomen en de huidige socialistische regering van Andreas Papandreou toont zich weer zeer lankmoedig. Waarschijnlijk ziet ze het als een heilzaam stoom afblazen, maar wat zich intussen aan stoom ophoopt binnen het publiek, beseft ze niet.

Tegen een andere folkloristische uitwas, wel zo ernstig, is iedereen ook machteloos. Als studenten of scholieren een mars houden, sluiten zich daar steevast aan de staart enkele tientallen, hooguit honderdvijftig, anarchistische jongeren aan die hier al de 'bekende onbekenden' worden genoemd. Zodra de optocht al zo'n beetje op haar eind is, beginnen zij alles kort en klein te slaan of te verbranden waar ze langs komen: auto's, etalages, ook journalisten die het trachten te vereeuwigen. Arrestaties worden vrijwel nooit verricht want de politie heeft de ordehandhaving aan de organisatoren van de mars overgelaten. Dit is nu al tientallen malen gebeurd en lijkt nog tientallen malen te moeten gaan gebeuren.

De nieuwe week begon overigens met een dag waarop de bussen het centrum weer leken te kunnen bereiken. Er stond geen bordje met 'Zappion' meer voorop. Toch werden we daar weer allemaal uitgezet. Iedereen sjokte moedeloos naar het plein waaraan het parlement ligt en waar alle protestdemonstraties worden gehouden. Maar daar ligt ook de Onbekende Soldaat, en het bleek dat de stremming ditmaal werd veroorzaakt doordat de Servische president Milósevic, op bezoek in Athene, daar een krans moest leggen. Bij uitzondering was ik deze keer bozer dan de Grieken.