Oorlog bedreigt de democratie in Rusland

Zelfs als de Russen er binnen een paar dagen in zouden slagen Grozny te bezetten, de Tsjetsjeense president Doedajev te verdrijven en een eind te maken aan de Tsjetsjeense rebellie - wat niet zal gebeuren - zal de volgens ex-premier Gajdar “rampzalige” oorlog in Tsjetsjenië president Boris Jeltsin tot het eind van zijn politieke carrière blijven achtervolgen: voor velen heeft Boris Jeltsin als democraat en hervormer afgedaan.

In zijn plaats gekomen is een man die met methoden die aan de oude Sovjet-Unie herinneren toepast om een onafhankelijkheidsgezind land met geweld in het gareel te dwingen en die daarbij het verlies aan mensenlevens op de koop toe neemt, die burgerdoelen laat beschieten, wiens belofte bombardementen te beëindigen de volgende dag al wordt gelogenstraft, die zich inlaat met wat steeds meer gaan lijken op een Afghanistan in eigen land, die zijn leger voor het eerst sinds 'Boedapest 1956' verwikkelt in straatgevechten en die zijn eigen politieke positie heeft ondergraven. “Ik wens u een gelukkig gezinsleven toe”, zei Jeltsin zaterdagavond in zijn nieuwjaarsboodschap - op dezelfde dag waarop hij de Russische tanks op Grozny losliet. En als hij nu succes had, met die militaire campagne in het zuiden - maar zijn leger is in drie dagen twee keer uit Grozny verdreven. Militair is de campagne een drama: in de bevelsstructuur loopt alles mis, prominenente legerleiders hebben het commando geweigerd en tactische fouten hebben tot een militair fiasco geleid.

De militaire campagne in Tsjetsjenië heeft Jeltsin niet alleen in diskrediet gebracht, ze heeft hem politiek ook volledig geïsoleerd: hij is zijn politieke basis kwijt. De hervormers, zijn oorspronkelijke achterban, zijn van hem weggelopen en zijn nu zijn felste critici. De meeste Russische media zijn radicaal tegen hem. Zelfs veel van zijn eigen adviseurs zijn van hem weggelopen; twee van hen waarschuwden al één dag na het begin van de inval op 11 december - en dus nog ruim voor de slag om Grozny - dat “de ulsterisering” van Tsjetsjenië onvermijdelijk was. Bij de Russische bevolking groeit de wrevel over de dood van Russische soldaten in de verre Kaukasus en smelt Jeltsins toch al tanende populariteit weg. Zelfs het leger is verdeeld: drie onderministers van defensie - onder wie erkende houwdegens als Afghanistan-veteraan Boris Gromov - hebben zich tegen het Tsjetsjeense avontuur uitgesproken. Het buitenland heeft hem lang het voordeel van de twijfel gegeven met het argument dat hij in zijn recht stond, maar wordt allengs kritischer. De enigen die Jeltsin nog steunen zijn de ultra-nationalisten van Vladimir Zjirinovski, de man hoopt dat Russische soldaten ooit “hun laarzen wassen in de Indische Oceaan”.

Jeltsins democratische en hervormingsgezinde imago is achter de horizon verdwenen en het is onwaarschijnlijk dat een come back er nog in zit. Jeltsin heeft naar een kleine groep raadgevers geluisterd, die in Moskou al bekend staan als “de oorlogspartij” en “de bende van zeven”: Oleg Lobov, de secretaris van de Veiligheidsraad, de presidentiële adviseur Viktor Iljoesjin (beiden oude kameraden uit Sverdlovsk), de mysterieuze bevelhebber van zijn lijfwacht, ex-KGB'er Aleksandr Korzjakov, de chef van de FSK (de vroegere KGB) Sergej Stepasjin, en de ministers van defensie, binnenlandse zaken en nationaliteitenzaken, Pavel Gratsjov (de man die op 24 november pochte Grozny in twee uur te kunnen veroveren), Viktor Jerin en Viktor Jegorov. Deze groep heeft Jeltsin tot de oorlog verleid en daarmee Jeltsin in een situatie gemanoeuvreerd waarin hij onmogelijk kan winnen.

De Tsjetsjeense crisis groeit uit tot een politieke crisis, die Jeltsin, de hervormingen en de democratie zelf bedreigt. Er groeit een consensus in de Russische samenleving - in de politiek, de media en de publieke opinie - dat Jeltsin als hervormer is opgebrand, luistert naar de verkeerde mensen, en zich nu alleen nog concentreert op het aan de macht blijven - met middelen die met democratie weinig te maken hebben. Hij heeft zich afhankelijk gemaakt van het leger (een verdeeld leger ook nog) en de veiligheidsdienst, de machtsinstrumenten die - tenzij Jetsin de consequenties trekt en aftreedt - binnen afzienbare tijd wel eens zouden kunnen worden ingezet om een eind te maken aan democratische vrijheden en de mensenrechten, al was het maar om de vloedgolf van kritiek te stuiten. Jeltsin heeft in Tsjetsjenië aangetoond dat “de belangen van de staat” vóór democratische principes of bestuur door middel van overleg en dialoog gaat. De “belangen van de staat” kunnen hem ertoe brengen een ouderwets autoritair presidentieel regime in te stellen en zelfs de presidentsverkiezingen van volgend jaar te schrappen. De vrijheid van meningsuiting zou dan wel eens de eerste kunnen zijn die wordt afgeschaft. In tijden van crisis, zo heeft het Tsjetsjeense avontuur uitgewezen, kiest Boris Jeltsin voor geweld.

De enige voorlopige winnaar van het Tsjetsjeense avontuur is - ondanks de forse bloedneus die het leger in Grozny oploopt - het militair-industriële complex, dat de komende tijd zal kunnen rekenen op meer orders en meer geld. Jeltsin heeft zich volgens ex-premier Gajdar tot gijzelaar gemaakt van dat militair-industriële complex, dat wordt geleid door sommige leden van de voornoemde 'oorlogspartij'. Rond kerstmis, in de tweede week van de oorlog in Tsjetsjenië, schatte een hoge functionaris van het ministerie van financiën de kosten van de oorlog al op 3,5 biljoen roebel (een miljard dollar). Toen al was duidelijk dat de begroting van defensie voor 1995, 44 biljoen roebel (14,6 miljard dollar), te klein is. De militairen hadden 111 biljoen roebel geëist. De kans is groot dat ze dit jaar een dergelijk bedrag krijgen. Waarmee niet alleen de democratie, maar ook de economische hervormingen op het spel staan.