Twee truien

Waarom het bos bij de Stenen Tafel?

In de winter van '56, woensdagmiddag, vrij van school, woedde hier een witte storm. Blindelings, jager en wild tegelijk, stoof de wind over de paden, tussen de bomen, langs de hellingen. Het leek wel omhóóg te sneeuwen. Maar dat was natuurlijk niet zo. Op sommige plekken viel de sneeuw neer en kon zij blijven liggen. Aan de rand van een paardenweitje vormden zich hoge, onbetreden golven.

Prins en ik.

Prins, een Duitse herder, een onvoorstelbare atleet, één en al Ausdauer. Ergens zakte hij zo diep weg, dat hij niet meer voor- of achteruit kon. Dat is tenminste wat ik me herinner: een door sneeuw ingesloten hond, die gewoon niet kon geloven wat hem overkwam. Verbijsterd keek hij naar mij om.

Tien was ik, bijna tien. Meestal in een trui. Als het erg koud was in twee truien.

Ik kom er nog weleens, in dat bos. Dan loop ik langs bomen die erbij zijn geweest, die woensdagmiddag, die witte storm. Vooral een paar monolitische eiken. En een 8-stammige beuk, wat eruitziet als een reusachtige vuist met mikadohoutjes.

Dat er altijd wel bomen zijn die het ook hebben meegemaakt - daar sta je niet vaak bij stil.

Zij wel.

Altijd.