Een Gijsbrecht vol statische drukte en angst voor Vondel

Voorstelling: Gijsbrecht, naar Gysbreght van Aemstel van Joost van den Vondel. Bewerking: Ellie van Dooren. Regie: Margrith Vrenegoor. Muziek: Boudewijn Tarenskeen. Toneelbeeld: Petra Spuybroek. Spelers: Theo Fransz, Kathenka Woudenberg, Arie Kant, Jack Vecht, René Eljon e.a. Musici: Anja Sicking, Michiel Commandeur, Rena Scholtens, Hans van der Meer e.a. Gezien 1/1, Amsterdam, Stadsschouwburg. Aldaar t/m 13/1.

De laatste week is het ons ingepeperd in alle media tot en met het NOS-journaal: de Gijsbrecht die de Amsterdamse Stadsschouwburg presenteert ter viering van haar honderdjarig bestaan, is Niet Stoffig en Reuze Actueel. Tevens was iedereen die aan het woord kwam, regisseur Margrith Vrenegoor, acteurs, andere medewerkers, het erover eens dat het fameuze treurspel van Joost van den Vondel onmogelijk nog in de originele vorm kon worden gespeeld. Slechts geschikt voor declamatie en galm, en met die lange monologen niet te doorstaan voor een hedendaags publiek. Met soms olijke zelfverzekerdheid vond men het logisch dat het stuk toe was aan een grondige oppoetsbeurt.

Ik begreep daar niets van. Gysbreght van Aemstel (1637) had ik nooit opgevoerd gezien, maar wel Lucifer, Adam in Ballingschap en Faëton. Telkens brutaal geënsceneerd (Lucifer op een schommel, Adam en Eva op puin, Faëton suizend langs een luchtrail) en misschien ingekort, al weet ik dat niet meer. Maar in elk geval onverhuld zeventiende-eeuws, dat wil zeggen in de originele Vondeltaal. Ik herinnerde mij niets saais of stoffigs, ik weet nog altijd hoe verrassend mooi en helder ik in alledrie de stukken het gebruis van Vondels verzen vond, hoe zinderend zijn rijm, hoe muzikaal zijn klanken, en niet te vergeten hoe meeslepend zijn drama. Zou die Gysbreght zo veel slechter zijn?

Ik las het stuk - een oorlogstragedie over de Heer van Aemstel, een held die geen held mag zijn. Aan het slot moet hij zich onderwerpen aan het hemelsche gerecht uit de eerste regel. De engel Rafaël zelf daalt uit de hemel neer om te vertellen dat dat gerecht zich niet 'erbarremt' over Gysbreghts 'benaude vesten', maar heeft bepaald dat hij verliest. Sterker, hij mag niet eens vechten, hij krijgt bevel te vluchten. Niet zijn eigen glorie telt, maar het overleven van zijn medemensen.

Ik las meesterlijke zinnen in een branding van hartstochtelijke regels, zoals wanneer Badeloch, de vrouw van Gysbreght, opgelucht uithijgt: 'Mijn trouwe bruydegom, mijn hoofd, mijn troost, mijn schat!/ Nu ghy behouden sijt, wat geef ik om de stad,/ Om al het weerelds goed!...' Ik las over de roekeloosheid van bevrijde burgers bij mogelijke vrede die blind maakt voor de list van de vijand. Ik las Arend van Aemstels verslag van de resultaten van een burgeroorlog in de straten van Amsterdam - even direct en ijzingwekkend accuraat als journaalbeelden dat kunnen zijn: wrede verkrachtingen zag ik, waar lust samengaat met wreedheid, huilende vrouwen en 'kinders, die vol schrick krioelen hier en daer', bergen lijken, gestrooid langs burgwal en straten.

Op bewerking is niets tegen, op ingrijpen in de oorspronkelijke tekst ook niet: een theatermaker dient zich te meten met stuk en schrijver en alle middelen zijn geoorloofd. Wel moet er eerlijk worden gestreden en het moet ergens toe leiden. Regisseur Vrenegoor maakt niet de indruk van Vondels stuk te houden, en vanwaar die afkeer? Haar weerzin geldt echter niet Gysbreght van Aemstel maar het negatieve imago dat werd veroorzaakt door drieëenhalve eeuw (tot 1968) jaarlijkse nieuwjaarsvoorstellingen, en die viert zij onheus bot op Vondels stuk.

Bewerkster Ellie Van Dooren kortte het sterk in en hertaalde zwaar. Monologen van enige lengte zijn taboe, ze worden gekortwiekt en gesplitst over meer personages. Rijm en metrum worden gehandhaafd als dat uitkomt. Moderne uitroepen snijden door en af wat er van Vondel over is. Het levert weinig meer op dan kunstmatig zeventiende-eeuws.

Vrenegoor is met haar regie bovenal in de weer om beslist niet te vervelen. Er moet gelachen worden, dus de spion Vosmeer, bij Vondel een angstaanjagend kille oorlogsprofiteur, hangt de pias uit zonder dat dat iets bijdraagt tot de interpretatie van het stuk. Er moet bespiegeld worden over hedendaagse oorlogstaferelen, dus beuken dreunende effecten in tekst, regie en legergroene aankleding er op los. Het lijkt of het verboden is om subtiel te zijn, hoe genuanceerd Jack Vecht als vijandige professionele oorlogsvoerder en vooral Arie Kant als de tragische broer Arend van Aemstel hun rollen ook spelen, waarbij moet worden aangetekend dat zij op hun best zijn in de clausen waar Vondels taal het meest intact bleef.

In een verder kaal toneelhuis roepen steigers en een stel gevlekte banieren met het Amsterdamse wapen waarop de kruisen worden gevormd door geweren, de wanhopige sfeer op van een belegerde stad. Op een overdadige hoeveelheid Oosteuropees klinkende muziek van Boudewijn Tarenskeen is het steeds een bonte, zij het statische drukte. Door een kokette operette-generaal aangevoerde soldaten (met Duitse helmen) marcheren dooor de zaal, de sjofele vluchtelingen banjeren zingend (een maal in het Servo-Kroatisch en de engel in, jawel, het Engels) over het berookte podium, nonnen ontbloten bun borsten voor een slagorde soldaten.

Veel gedoe, verre van saai, correct actueel en toch wil het maar niet wervelen. Mooi is hoe Vrenegoor Gijsbrecht (een viriele rol van Theo Fransz) en Badeloch (een verkrampte Kathenka Woudenberg) maakt tot een verliefd paar jonge ouders dat door de oorlog tijdelijk uiteengedreven wordt. Roerend is de Reizang 'Waar werd opreghter trou...' die Tarenskeen het paar als een lokkend en klokkend duet laat zingen. Maar wat jammer dat hun laatste zinnen werden geschrapt, want daarin staan ze elkaar nader dan ooit en verdwijnen ze samen aan de horizon. Mooi is ook hoe Vrenegoor de engel Rafaël al vanaf het begin aanwezig laat zijn. Zo is zijn ingrijpen aan het einde niet het werk van een deus ex machina, maar van een hemels wezen dat zich niet kan beheersen. Maar waarom moet Rafaëls overreding een mime-nummer worden en mag hij Gijsbrecht niet tot overgave en vlucht overreden met het argument dat Amsterdam ook zonder hem 'met grooter glans uyt asch en stof' zal verrijzen?

Vrenegoor en de haren waren doodsbenauwd voor Vondel. Al te vaak werd hij ver weg geduwd en zonder hem valt Gijsbrecht in elkaar.