Nederland en Suriname hebben meer aan elkaar verloren dan gewonnen; De pianostemmers van Paramaribo

Suriname zou een modelstaat worden, een soevereine natie, en een gouden handdruk uit Nederland zou het verleden doen vergeten. Er spoelde een golf van linksig nationalisme over het land waarin het leven werd verdeeld in eten en flauwekul. Dat je juist die flauwekul in bescherming moest nemen om beschaafd te kunnen zijn, merkten noch Suriname, noch Nederland op. Over de onmogelijkste onafhankelijkheid van de wereld.

Even was hij vergeten ze te haten; toen Nederland het eerste doelpunt maakte tegen Luxemburg ging zijn vuist spontaan omhoog en slaakte hij een kreet van triomf. Geschrokken keek hij om zich heen, in de duistere winkel waar halfdronken mannen de wedstrijd op televisie volgden, maar niemand had het gemerkt. Dus bracht hij zijn gezicht gauw weer in plooi: kaken op elkaar geperst, lippen iets getuit, ogen samengeknepen.

Hij zag er massief uit, zijn hoofd en schouders waren net marmeren blokken die met elkaar werden verbonden door een nek van tropisch hardhout. Een stier zou hij met een slag buiten westen kunnen slaan, maar hij had zichzelf een ander levensdoel gesteld: nijdig zijn. Afkeer hebben. Haten.

Hij wist niet waar die gevoelens vandaan kwamen, hij had ze nu eenmaal, tegen alles en iedereen. Hij haatte de hindoestanen in de districten, die rijst en groenten plantten en veel te hoge prijzen voor hun produkten vroegen. Hij zelf werkte bij de overheid, maar met zijn salaris van twaalfduizend gulden kwam hij niet rond. Terwijl die hindoestanen almaar auto's uit Holland lieten komen en steeds nieuwe huizen bouwden.

Hij had ook een hekel aan Chinezen, die een blikje doperwten voor achthonderd gulden verkochten en met de winst hun kinderen naar het buitenland stuurden om te studeren. Hij zelf had een dochter van veertien en een zoon van acht. De jongen ging nog naar school, maar het meisje zei dat ze geld wilde verdienen om mooie kleren te kopen. Daar kon hij niets tegen inbrengen, want ze had inderdaad al lang geen kleren meer gekregen, omdat hij ze niet kon betalen.

Hij had een afkeer van bosnegers, die naar de stad waren gekomen tijdens de oorlog tegen het jungle commando. Ze handelden met het binnenland, smokkelden goederen naar Frans Guyana en vonden goud in de bovenstromen. Ze woonden misschien in armoedige erfwoningen, maar dat waren ze gewend. Hijzelf woonde in een huurhuisje met twee slaapkamers, maar het huis was tenminste van steen. Op zo'n modderig erf dat na iedere regenbui onder water liep had hij lang geleden ook gewoond, toen hij die baan nog niet had als video-operator op de afdeling educatieve middelen van het ministerie van onderwijs. Zijn neef had die job voor hem geregeld, hij hoefde er alleen maar een video-cursus van drie dagen voor te volgen, wat hij met succes had gedaan. Daarvoor was hij metselaar geweest, maar niemand bouwde tegenwoordig nog huizen. Behalve hindoestanen, en die namen geen negers aan.

Hij had een hekel aan Javanen omdat zij goede zaken deden met hun bami-winkels, en aan indianen omdat zij altijd op hun kostgrondjes in het binnenland konden terugvallen. Hij had zelfs een hekel aan zijn eigen mensen, de Surinamers.

Neem president Venetiaan bijvoorbeeld. Een zwarte priester die wonderen kon verrichten, dacht iedereen in het begin. Maar hij beloofde en beloofde maar, dat de koers zou dalen en de levensmiddelen weer betaalbaar zouden worden, alsof de belofte al genoeg was om de dingen te laten gebeuren. En altijd gaf hij anderen de schuld: de mannen van Bouterse, de handelaren, IMF, Nederland. Maar eigenlijk waren de hindoestanen schuldig. De president wilde grondbelasting heffen om met dat geld de ambtenaren te betalen, maar de hindoestanen hielden het tegen, omdat zij alle grond bezaten. Zij wilden liever dat de president een paar ambtenaren ontsloeg, want dat waren toch maar creolen. En in plaats van tegen de hindoestanen op te treden, nam de president geen enkel besluit.

Daarom moest Bouterse terugkomen, die was voor niemand bang, zelfs niet voor de bakra's. Tegen hen koesterde de video-operator van de afdeling educatieve middelen de grootste haat: de Hollanders. Zij hadden het land eerst onderdrukt en toen in de steek gelaten. Hoe dat met elkaar te rijmen viel wist hij niet precies. Er waren Surinamers die zeiden dat het juist goed was dat Nederland de hulp had stopgezet. Nu konden de Surinamers zelf hun boontjes doppen - al moesten die boontjes wel uit Nederland komen. En er waren Surinamers die vonden dat Suriname weer moest worden als vroeger, met verzorgde pleinen, wit geschilderde huizen, fleurige winkeletalages en scholen met voldoende educatieve middelen. Dat kon alleen 'onder Holland', want sinds de Surinamers het zelf voor het zeggen kregen was het een puinhoop geworden: eerst was er de revolutie van de militairen die mensen doodschoten en zichzelf verrijkten, toen kwam de oorlog tegen de bosnegers en daarna de ellende met de wisselkoers.

De video-operator van de afdeling educatieve middelen kon niet uitmaken wie gelijk had, dus hield hij het op het gevoel dat hem vertrouwd was: haat. Het was altijd verstandiger de bakra's te haten dan ze aardig te vinden, maar als hij ooit een visum kreeg om weg te gaan, wat hij twee jaar geleden al had aangevraagd, dan wist hij het wel.

D e figuur van de video-operator is, vrees ik, minder gefingeerd dan men zou willen. De levenshouding in Paramaribo doet denken aan de grap dat het eten smerig is en de porties ook nog te klein zijn. Het is een masochistisch principe, een verscheurende tegenstrijdigheid die van Nederland tegelijk de redder en de vernietiger maakt. Op zijn beurt beantwoordt Nederland deze ambivalentie met een even hardnekkig volgehouden dubbelzinnigheid: dat Suriname zelfstandig èn hulpbehoevend is.

En het begon allemaal met een idee dat zo goed bedoeld, maar o zo parmantig was: dat Suriname een soevereine natie zou worden. Een land met “een inwonertal als Eindhoven en een nationaal inkomen dat lager ligt dan de jaaromzet van Albert Heijn”, zoals een Nederlandse diplomaat in Suriname het met veel genoegen zegt, zou hier aan de noord-oostkust van Zuid-Amerika als een modelstaat verrijzen, met een gouden handdruk waarmee het pijnlijke verleden in een klap zou worden vergeten.

Achteraf bezien is het waarschijnlijk de onmogelijkste onafhankelijkheid van de wereld geweest. Van Surinaamse kant miste men elk gevoel voor proportie: dat men het land kon besturen had men al bewezen, sinds het Statuut van 1954 dat in het zelfbestuur van de rijksdelen voorzag. Maar men verbeeldde zich dat men ook de medische faculteit in stand kon houden, en het centrum voor agrarisch onderzoek, het hogere gerechtshof, het bureau voor statistiek, de bibliotheek, het theater, de muziek- en dansschool. Men vergat simpelweg dat sommige instellingen een grotere reikwijdte en bevolkingsomvang nodig hebben dan een land als Suriname kon bieden.

Met groot aplomb schortte Venetiaan, toen minister van onderwijs, in 1975 de culturele samenwerking met Nederland op. De Surinaamse kinderen hoefden geen Mozart meer te leren spelen en geen Nederlandse boeken te lezen. Ze hadden hun eigen trommels en wat het lezen waard was zouden de Surinamers zelf schrijven. Dat deden ze ook, in de tijd rond de onafhankelijkheid: vele tientallen bundeltjes met vaderlandslievende ballades werden er volgeklad, maar een literaire traditie was daarmee nog niet gevestigd.

De medische faculteit die begeleid werd door de universiteiten van Amsterdam en Leiden, kreeg de genadeklap in 1982, toen de studenten werden vervolgd omdat ze door te protesteren tegen de slechte studie-omstandigheden staatsondermijnende activiteiten hadden verricht. Het centrum voor landbouwkundig onderzoek werd langer getolereerd, totdat men merkte dat aan rijst veel geld kon worden verdiend en dus ook hier gezagsondermijnende invloeden werden ontdekt.

Het meest stond de balletschool bloot aan patriottische hoon en sarcasme: wat hadden de zwarte en bruine kindertjes nou aan een arabesque en een pirouette? De Afrikaanse vuurdans en de Indiase tempelrituelen moesten ze leren, maar eerlijk gezegd was er ook hiervoor geen geld. Volgens het linksige nationalisme dat in Suriname heerste, bestond het leven uit eten en flauwekul. Dat je juist die flauwekul in bescherming moest nemen om beschaafd te kunnen zijn, merkte bijna niemand op.

H et pijnlijkste was dat ook Nederland het niet opmerkte. Al vanaf het begin verwarde Nederland de Surinaamse behoefte aan privacy met het verlangen naar nationale soevereiniteit. Eigenlijk wilden de Surinamers alleen maar eigen baasje spelen, waarop Nederland ze meteen volwassen verklaarde en ze het Koninkrijk uitzette. De tijdgeest was daar nu eenmaal naar, het proces van dekolonisatie was overal ingezet, en de mythe van gelijkwaardigheid maakte veel kleine Derde Wereldlandjes een tikje megalomaan: alle leden van de Verenigde Naties hadden immers evenveel te zeggen, wat niet betekende dat naar iedereen even goed werd geluisterd.

Nederland voedde de megalomanie, het ging mee in de roes van het linksige nationalisme en schaamde zich met terugwerkende kracht voor de flauwekul die het al die jaren had bevorderd: het spreken van de Nederlandse taal, het lezen van Nederlandse literatuur, het kijken naar Nederlands toneel en het opdoen van kennis die eeuwenlang was vergaard.

Nederland bekende schuld over datgene waar het met evenveel gemak trots op had kunnen zijn: dat specialisten naar Suriname kwamen om onderzoek te doen naar tropische ziekten en gewassen, dat schrijvers en dichters naar de kolonie trokken om er lezingen te houden en ideeën op te doen, dat journalisten de oversteek maakten om de tropische kant van Nederland in beeld te brengen, dat studenten de grote reis waagden om veldwerk te doen onder zwartjes die toch mooi Nederlands spraken. Maar Nederland twijfelde te zeer aan zichzelf, het miste het zelfvertrouwen en de fierheid om zijn eigenwaarde te respecteren en gaf met een pennestreek alles op, dat wil zeggen, alles dat enigszins riekte naar flauwekul. Wat overbleef was de koele nuchterheid van een economische samenwerking, die alsnog werd beëindigd toen de decembermoorden in 1982 werden gepleegd.

Maar ook zonder die gebeurtenis zou Suriname zijn beland in de duistere leegte waarin het nu verkeert. In culturele zin hebben Nederland en Suriname meer aan elkaar verloren dan gewonnen, omdat de een zichzelf te slecht, en de ander zichzelf te goed vond. Op een of andere manier is het laatste vergeeflijker dan het eerste. Suriname putte zijn goedheid uit zijn historische slachtofferschap, maar Nederland had moeten inzien dat het door daarop in te gaan de kans verspeelde om zijn naam te zuiveren. Nederland verloor zijn gezicht en zijn karakter, door berouw te tonen in een geveinsde nederigheid.

W at je aan cultuur in twintig jaar kunt afbreken, bouw je in twintig jaar niet op. Er is een hele generatie verloren gegaan die nu is aangewezen op een nationale bibliotheek die van boeken wordt voorzien door de Nederlandse ramsj. Van de zevenduizend nieuwe boeken die men dankzij het heropende culturele verdrag met Nederland mocht bestellen waren er slechts enkele tientallen romans, waarvan de meesten het niveau van Betty Mahmoody's 'In een sluier gevangen' niet overstegen. Het Surinaams museum ziet een groot deel van haar schilderijencollectie door vocht en warmte verloren gaan, omdat het de elektriciteitsrekening van driehonderdenvijftig Nederlandse guldens per maand niet kan opbrengen om de airconditioning aan te houden. Het Thalia-theater, de enige schouwburg van het land, beschikt over nog maar een lichtbak van duizend watt, de meeste bioscopen in de stad zijn omgebouwd tot magazijnen om goederen te hamsteren in afwachting van schaarste en betere prijzen, de muziekschool heeft nog maar een piano en het aantal pianostemmers in het land dreigt gezien hun leeftijd terug te lopen van drie naar nul.

Maar het is, zoals gezegd, allemaal flauwekul. Vraag het aan de video-operator van de afdeling educatieve middelen, en aan zijn zoon van acht die voorlopig wel naar school gaat. Hun belangen worden steeds praktischer, hun levens worden kleiner en hun blik op de wereld nauwer. De video-operator drukt dat nog uit in een willekeurige boosheid, maar zijn zoon zal vervuld zijn van razernij. Het zijn gevoelens zonder duidelijke herkomst of bestemming, maar aan de intensiteit kun je merken hoe verward de tijden zijn geworden: het is nu Nederland dat zich een braaf soort anti-kolonialisme kan veroorloven, terwijl Suriname in de hoek is gedreven van een geveinsde stoerheid.