God ja, God nee

Met de ogen de boekenkast langs, een tochtje titels, als reprise van het genot dat je met een boek hebt opgedaan. De enige die weet waar wat staat - de orde zit in mijn hoofd - ben ikzelf. Ik weet dus ook, onmiddellijk, waar staat wat ik niet heb gelezen. Veel zal dat niet zijn. Natuurlijk, er zijn boeken waarin ik niet verder kwam dan een paar bladzijden. Slecht geschreven, door auteurs die zich niet weten uit te drukken, waarom dat allemaal tot het bittere einde uitlezen ook al heb je ervoor betaald? Jammer van het geld, stom geweest, nooit weer doen. Maar dat is zelfverwijt, niet het schaamrood dat mij naar de kaken stijgt.

Een boek gevonden dat ik in 1982 heb gekocht voor bijna vijftig gulden en niet heb gelezen. Of liever, niet gevonden, ik wist dat het er stond, al die jaren wist ik dat, op de vierde plank van onderen bijna aan het eind ervan, naast Peter Geach, naast Gilbert Ryle, naast Swinburne (niet de maar een andere). Jaar in jaar uit stond het daar. Heb me nooit schuldig gevoeld, omdat ik het maar niet las, merkte alleen dat ik minder lust tot lezen had naarmate de jaren verstreken. Wat je niet op tijd leest, lees je nooit meer. Dat is een wetmatigheid, die alleen door een acte van berouw of een bevel van hogerhand kan worden opgeheven.

Het boek in kwestie heet The Miracle of Theism. Arguments for and against the Existence of God (Clarendon 1982), en is geschreven door J.L. Mackie, een filosoof van Angelsaksischen huize. Ik weet waarom ik het kocht: wegens een discussie die Engelse filosofen uit de jaren zeventig en tachtig voerden over het bestaan van God. De auteur kende ik uit de ethiek, hij schreef er een scherpzinnige studie over. Wat leuk, dacht ik, ethiek (waar geen woord God aan te pas komt) en tegelijk een boek over God? Herkende mijzelf meteen in de vraagstelling.

Vraagstelling? Wist ik veel, ik had het boek nog niet eens ingekeken en wist al waarover het ging, helderzienden kunnen dat ook. Het bleef dus in de kast, ook al omdat ik - ongelezen - dacht dat de titel mij wat te veel van het goede zou opleveren: een apologie van het geloof in God, het geloof in God als een wonder, zoals Hendrik Algra bij ons eens een boek schreef over Het wonder van de negentiende eeuw, en daarmee de hand van God in de opkomst van de christelijke school bedoelde. Nee meneer Mackie, even wachten, totdat ik tijd bekomen heb, dan zal ik u nader horen.

Niet dus, mis. Aan alle kanten mis, nu ik het boek werkelijk heb gelezen, in sneltreinvaart zelfs. Dat kan bij Angelsaksische schrijvers. Aan Duitsers - zo heb ik een Duitser eens horen zeggen - heeft God de genade gegeven dat ze zinnen kunnen maken die ze zelf niet begrijpen, maar Engelsen missen dat voorrecht. Duitse auteurs breken je de bek en de nek, maar Engelsen schrijven wat ze denken (Duitsers ook, bedenk ik nu, maar bedoelen met denken wat anders) en dus kun je ze lezen. Zei ik al 'mis'? Nou, goed mis zelfs. Het mirakel van het theïsme (geloof in een persoonlijke God) gaat niet over het wonder van het godsgeloof, maar over het godsgeloof als wonder en dan nog - met een schuin oogje naar David Hume - als een onderuithalinkje bedoeld: dat verstandige mensen nog steeds aan God geloven, dat mag je - over wonderen gesproken - wel een mirakel noemen.

Mackie valt hem bij. Uiterst zorgvuldig weegt hij alle pro- en contra-argumenten, om ze aan het eind tegen elkaar af te strepen, zoals wij vroeger met de knopen van ons overhemd deden: houdt ze van me/houdt ze niet van me. En? Hij bestaat niet, zegt Mackie. Nee, nu ga ik te ver, Mackie zegt dat er meer tegen dan voor pleit, in elk geval dat je via argumenten nooit van z'n leven tot zekerheid over het bestaan van God kunt komen. Vandaar: 'my own view is atheist' (maar dat was al het geval voor hij aan afstrepen begon). Geloven is geloven, blijkt weer eens.

Ik zou mij erover kunnen schamen dat ik het boek zolang ongelezen heb gelaten, maar denk liever dat ik op de valreep van het jaar 1994 een goede daad heb verricht: een briljant boek met zijn auteur aan de vergetelheid ontrukken. Dat heeft Mackie niet kunnen voorzien. Mackie is trouwens dood, hij stierf kort na het voltooien van zijn Miracle. Helaas trekken de doden, zoals Hermann Hesse zegt, de ladder achter zich op. Mackie kan ons dus niet meer vertellen of zijn rekensom is uitgekomen.