Sijtje wordt opeens een Hijtje; Beets' Camera Obscura op het toneel

Op nieuwjaarsdag brengt het Haarlems Toneel de eerste aflevering van een vijfdelig feuilleton naar Hildebrands Camera Obscura. “Hildebrand hekelt de prietpraat, het schijnheilige, de gezapigheid - wij twintigste-eeuwers moeten niet pretenderen dat we al die onaangename dingen overwonnen hebben.”

'Het linnen dient keurig gevouwen' is op 1 en 2 januari, aanvang 16u30, te zien in de Stadsschouwburg Haarlem. 'Een uitnodigend gebaar' is gepland in maart. De overige drie afleveringen volgen in mei en najaar '95.

Op handen en voeten kruipt hij over de vloer. Kwijl druipt uit zijn mondhoeken en zijn kaken klapperen. De corpulente burgemeester Dikkerdak, een personage uit Hildebrands Camera Obscura, is geschrokken. Zojuist heeft het dienstmeisje Leentje hem te kennen gegeven dat ze 's maandags vrij wil. Wat nu? De maandag is toch zijn Leentjedag? Zonder zijn lekkere Leen is Dikkerdak nergens. Alleen, een burgemeester praat niet over intieme zaken, dus draait Dikkerdak om de hete brij. De burgemeester en de burgemeestersvrouw plus Leentje en knecht Kees, haar man: zij hebben allemaal op maandag iets heel speciaals te doen. Iets dat met vreemdgaan te maken heeft, maar dat woordje kennen de vier nog niet.

Waar in de Camera Obscura staan die pikanterieën dan? Nergens. De kwijlende, smachtende burgemeester is een vondst van schrijver Haye van der Heyden. Hij las Hildebrands verhaal 'De Schippersknecht' en maakte van diens bazige Burgemeester een hulpeloze oude man. Dikkerdak is de spil van een komedie waarin Jules Croiset de hoofdrol speelt.

Die komedie, Het linnen dient keurig gevouwen, zal op nieuwjaarsdag in de Haarlemse Stadsschouwburg haar première beleven, als eerste aflevering van een vijfdelig Hildebrand-feuilleton. Nicolaas Beets, zoals Hildebrand eigenlijk heette, was een inwoner van de Spaarnestad en het Haarlems Toneel gedenkt de schrijver in het jaar waarin Haarlem zeveneneenhalve eeuw bestaat. Naast Haye van der Heyden doen de auteurs Eli Asser, Adrie van Dijk, Ton Vorstenbosch en Ger Beukenkamp aan het project mee. De vijf regisseurs, die elk een aflevering voor hun rekening nemen, zijn Joanna Bilska, Mette Bouhuys, Leo Hogenboom, Barbrö Thunér en Pieter Loef.

Twee weken voor de première repeteert Loef, regisseur van deel één, met zijn vier spelers in een Santpoorts kerkje. De burgemeestersvrouw, vertolkt door Elsje Scherjon, zit in een hoekje te borduren. Trots laat zij ons haar borduurwerk zien: “Kijk, dit worden twee vogeltjes. Duifjes denk ik, of meesjes. Ze geven elkaar een kusje met de snaveltjes, schattig hè?” Steeds doorbreken de acteurs de illusie van het theater. Dat we naar typetjes uit de vorige eeuw kijken, daar wijzen zij zelf voortdurend op. Het spel pendelt tussen twee eeuwen: de eeuw van onze betovergrootouders, waarin men nog soutiens droeg en gesteven kraagjes, en die van nu, waarin iemand die er mooi uitziet beautiful wordt genoemd.

“Als ik aan de Camera Obscura denk,” zegt Pieter Loef, “dan denk ik aan die zwarte knipsels van negentiende-eeuwse koppen, en profil, tegen een witte achtergrond. Daarom wordt het toneelbeeld zwart. Het toneel fungeert als donkere kamer, als fototoestel. Allerlei trekjes die Hildebrand hekelt - de prietpraat, het schijnheilige, de gezapigheid - worden door die camera uitgelicht. Wij twintigste-eeuwers moeten niet pretenderen dat we al die onaangename dingen overwonnen hebben. Het afgepaste, het afgebakende, het pietepeuterige, het niet royaal durven leven, niet je hart volgen, je steeds afvragen wat de buren, je baas en ondergeschikten van je vinden: dat noem ik nou typisch Hollandse eigenschappen. Wij doen alles op een verkapte manier.”

Gepoederde huisknecht

In 'De Schippersknecht' beschrijft Beets hoe dat laatste in zijn werk gaat. Burgemeester Dikkerdak roept knecht Kees bij zich omdat hij van hem af wil; er moet, vindt hij, bezuinigd worden. Omdat hij een goede verstandhouding met zijn personeel op prijs stelt, laat Beets hem met een omslachtig praatje openen.

'“KEES,” hervatte de Burgemeester: “je hebt mij tweeëntwintig jaar trouw gediend; eerlijk gediend; ijverig gediend...” KEES schepte moed; hij had gedacht dat er iets onaangenaams aan de hand was, en de Burgemeester was een gestreng heer. Maar als de Burgemeester zag dat het gezicht van KEES opklaarde, vatte hij ook moed; zodat er op dat ogenblik twee mensen bijeen waren, die beide de beste moed van de wereld hadden. -“Trouw gediend!” herhaalde de Burgemeester. “Na mijn beste weten,” zei KEES bedaard, en bekeek de rode opslagen van zijn grijsgele rok. De Burgemeester nam een snuifje en zeide: “Ik heb maar naar de gelegenheid gewacht om er u voor te belonen.” '

Terwijl er 'een grote traan om het hoekje' van Kees' neus komt kijken, vertelt de Burgemeester het verpletterende nieuws: hij weet voor Kees een 'makkelijk postje, een goed postje', als schippersknecht op een trekschuit. Dat hij Kees wil lozen zegt hij er natuurlijk niet bij, net zo min als Kees durft te zeggen dat zulk ruw werk voor hem, een oude gepoederde huisknecht, een schrikbeeld is.

“Zoals die twee,” meent Pieter Loef, “zo gaan wij nog steeds met elkaar om. We zeggen elkaar de vreselijkste dingen op de meest zachtaardige wijze.” Jules Croiset valt hem bij: “Wij Nederlanders zijn een buitengewoon hypocriet volk. Voor mij bestaat de Nederlandse volksaard uit hypocrisie, benepenheid en kleinburgerlijkheid.” Om daar meteen aan toe te voegen dat hij het heerlijk vindt zo'n hypocriete man te spelen. “Burgemeester Dikkerdak,” zegt hij, “is mijn laatste rol bij het Haarlems Toneel, en aan deze rol heb ik tot nu toe de meeste vreugde beleefd. Hoe zullen de notabelen bij de première op hun collega Dikkerdak reageren? Wat nemen zij zichzelf toch serieus. Zo erg zelfs dat ze niet aan handelen toekomen. Het comité dat de feestelijkheden rond het 750-jarig bestaan van Haarlem zou voorbereiden is al afgetreden! En dan zien die heren een burgemeester die alleen met het kleine geluk bezig is, zijn geluk met het dienstmeisje Leentje.”

De burgemeestersvrouw in de voorstelling vindt dat kleine geluk in het borduren van kleurige vogeltjes. Teun de Jager, uit het gelijknamige Camera Obscura-verhaal, vindt het in de jacht. En in het dorpsmeisje Sijtje - dat hij later per ongeluk doodschiet.

Vijftien kinderen

In Een uitnodigend gebaar, het stuk van Ger Beukenkamp, heeft Gerard Reve van de Nederlandse Operastichting de opdracht gekregen een libretto te schrijven. Hij kiest het verhaal 'Teun de Jager' uit en stuit op een onwillige auteur. “Het stuk,” legt Beukenkamp uit, “is een dispuut tussen twee schrijvers. Het gaat over vragen als: valt een schrijver samen met wat hij maakt? Beets had vijftien kinderen maar toch ziet Reve een homoseksueel in hem. En meent dat ook te kunnen aantonen in Beets' werk. Sijtje wordt opeens een Hijtje.”

Beukenkamps drama is doorspekt met fragmenten uit de opera waarvoor de toneel-Reve het libretto schrijft. Ze zullen worden gezongen door het Haarlems Toneelkoor, dat ook in Van der Heijdens stuk een rol speelt. Daar becommentarieert en bespot het koor het gedrag van de personages op het toneel, en die reageren op hun beurt op de koor-stem.

Spotlust zit de Nederlanders in het bloed, vindt Ger Beukenkamp. Komedies, cabaret en columns, dat zijn de genres waar wij volgens hem het sterkst in zijn. “Nederland is een laagvlakte zonder helden en zonder monsters. Wij moeten het hebben van de kleine vorm, van kleine observaties en anekdotes. Kijk maar naar Hildebrand met zijn priegelige schetsjes, kijk maar naar Simon Carmiggelt en Godfried Bomans. Nederland heeft weinig dramaschrijvers pur sang, want drama impliceert pathos en dynamiek. Ons denken zit zo niet in elkaar. De affaire-Brinkman, zijn verhouding met Lubbers: dat is toch een Shakespeareaanse tragedie over vriendschap en verraad? Maar wij doen liever lacherig, bedenken overal verzachtende woorden voor en klampen ons vast aan de rituelen van alledag. Als we ons natje en droogje maar hebben, als het huis maar aan kant is en het wasgoed netjes gestreken, dan vinden we alles wel best.”

Aan het eind van de repetitie ligt het linnengoed in keurige stapels opgetast, precies in het midden van de kerk. Leentje (Teuntje de Klerk) streelt het linnen liefkozend. Dan krijgt ze een idee. Ze pakt een stapel op en begint wild met de lakens te smijten. De regisseur fronst zijn wenkbrauwen. Zo'n opera-achtig vertoon van emoties, zie je hem denken, past niet bij de geest van Hildebrand. Het past ook niet bij de komedievorm. Loefs voorstelling is vooral, zoals een krant ooit over de Camera Obscura schreef, 'een knipoog van een Nederlander aan den Nederlander'.