Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Architectuur

Er is meer dan de witte doos; Architect Sjoerd Soeters over modernisme, kleurenwaaiers en het nestgevoel

Om zijn variatie in stijlen wordt architect Sjoerd Soeters wel de enige postmodernist van Nederland genoemd. Zijn gebouwen zijn niet onder een noemer te vangen: een villa kreeg een modern klassiek aanzien, terwijl de lokalen van een school in Maastricht uit een waaier van kleuren bestaan. “Mij wordt clichématigheid verweten door de jongens die zelf overal witte dozen neerkwakken.”

Het vrolijkste gebouw van Nederland staat in Zandvoort. Circus heet het, maar een circus is het niet. Achter de façade van voor eeuwig verstijfde vlaggen, met de Nederlandse driekleur fier voorop, gaat een theater/filmzaal schuil. Daar weer achter, onder drie als feestmutsen vermomde lichtkoepels ligt een gok- en speelautomatenhal die binnen, met de zwevende vloeren en omhoogwentelende trappen, al even uitbundig is. Kleuren als oranje, geel, paars, rood, blauw en groen zorgen ervoor dat deze gokhal ver verwijderd blijft van de schandknaapachtige smoezeligheid die dit soort oorden vaak zo treurig maakt.

“Ik heb bij het maken van dat krankzinnige gebouw ontzettend veel plezier gehad,” zegt Sjoerd Soeters, de architect van het Circus. “Ik kon me tijdens het ontwerpen helemaal voorstellen hoe geschokt of furieus mijn collega's zouden zijn. Net zoals de Engelse architect Sir Edwin Lutyens die altijd zat te grinniken achter de tekentafel als hij eraan dacht wat zijn vakgenoten ervan zouden vinden. Want het Circus druist natuurlijk helemaal in tegen alles wat Nederlandse architecten op school leren. Ik kan zo twintig Nederlandse architecten aanwijzen - en dat zijn dan de twintig besten - die zich er niet voor zouden hebben geschaamd om in Zandvoort een donkergrijs high-tech-gebouw als speelautomatenhal neer te zetten. Dat heeft te maken met het verschil tussen de cultuur van het grote publiek en de cultuur van de architecten. Ik geloof dat het grote publiek veel beter dan architecten begrijpt dat een gebouw met zo'n functie er zo moet uitzien. Ik vind dat een gokhal er anders moet zijn dan een modefirma, en mijn eigen kantoor anders dan een woonhuis.”

Opdrachtgever

Sjoerd Soeters (1947) is een bijzonder geval in de Nederlandse architectuur. Dat werd al zichtbaar bij zijn eerste opdracht in 1980, de verbouwing van een groot huis aan de Prinsengracht in Amsterdam, waar hij in een van de appartementen zelf woont. Roze werd het gebouw en boven op het dak plaatste hij een kloeke balustrade, die niet echt dienst doet als borstwering en veel weg heeft van een bordkartonnen filmdecor. Sindsdien heeft Soeters meer opdrachten gekregen en groeide zijn bureau uit tot een bedrijf met twintig medewerkers. Op zijn oeuvrelijst prijken nu onder meer een kinderdagverblijf in de Amsterdamse Kinkerbuurt, showrooms en kantoren van de kledingfirma Mexx in Duitsland en Frankrijk, verbouwde villa's, een sociaal-cultureel centrum in Diemen, zijn eigen kantoor in de Amsterdamse Kerkstraat, de bewindsliedenverdieping van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, een school in Maastricht en 151 woningen in Nieuw-Sloten. Ze zijn niet onder één noemer te vangen: de verbouwde villa krijgt een modern klassiekerig aanzien en het sociaal cultureel centrum in Diemen bestaat uit twee dozen, waarvan de knalblauwe iets is gekanteld. De basisschool in Maastricht werd een waaier van lokalen in de kleuren van de regenboog en zijn kantoor werd voorzien van een zilvergrijze façade van aluminium met kleine, diep verzonken ramen en een dikke bovenrand. De grote verscheidenheid van zijn gebouwen heeft mede te maken met zijn houding tegenover de opdrachtgever. “Ik ben niet stijlvast”, zegt Soeters. “Voor mij is de opdrachtgever heel belangrijk. Ik had het Circus in Zandvoort niet kunnen maken als ik niet zo'n fantastische opdrachtgever had. Je hebt als architect niet alleen gestudeerd om applaus van je collega's te krijgen. Ik zie het als mijn taak om de dromen en ambities van de opdrachtgever te realiseren. Als iemand bij mij komt en zegt: ik wil een huis bouwen en het liefst met een kap, dan vind ik dat interessant om te doen. Je hebt als architect natuurlijk meer beelden in je hoofd dan de opdrachtgever en daar moet je dan ook gebruik van maken, maar voorop staan de wensen van de opdrachtgever. Dat is niet de houding die ze bij Bouwkunde in Delft leren; daar krijgen de studenten juist te horen dat ze tegen hun opdrachtgever moeten vechten om hun eigen droom te realiseren. Het is een houding die ze vervolgens op een architectenbureau moeten afleren. Maar vaak is het dan al te laat. Als je een jaar of 5 à 10 op zo'n bureau hebt gezeten en je hebt toevallig niet een paar doorbraakjes gemaakt, dan ben je afgeschreven en kun je ambtenaar van Volkshuisvesting worden.”

Postmodernist

Om zijn variatie in stijlen wordt Soeters wel Nederlands enige echte postmodernist genoemd. In Nederland, het land waar meer dan waar ook het modernisme in de architectuur nog overheerst, is dit nauwelijks een compliment. Postmodernisme staat hier gelijk aan gemakzuchtig citeren en oppervlakkigheid. “Mij wordt clichématigheid verweten door de jongens die zelf overal witte dozen neerkwakken en dan zeggen dat die naar het werk van Duiker, Wiebenga en andere modernisten verwijzen”, zegt Soeters. “Dát vind ik pas clichénatig, kopieerziek en gedachteloos. Ze spelen voor Le Corbusier en doen alsof de revolutie in de architectuur nog steeds moet plaatsvinden. We weten inmiddels dat de witte dozen heel goed buiten de stad kunnen staan - zo zijn ze bedacht en zo zijn ze bedoeld. Als je een mooi groen weiland hebt, dan kan daar best een witte doos in staan, maar waarom zou je er per se een midden in de stad willen neerzetten? Waar is dat goed voor? Waarom zou je geen gebruik maken van hetzelfde metselwerk en dezelfde kleur als die waaruit de hele buurt bestaat? Ik neig er tegenwoordig steeds meer toe om mijn gebouwen aan te passen aan de omgeving.”

De overheersing van het modernisme in Nederland heeft te maken met de Nederlandse cultuur. “Anders dan in omringende landen is hier in Nederland het modernisme niet gehinderd door contrarevoluties en heeft het de naam gekregen dat het goed is voor de mensen. In Nederland hebben we altijd geloofd in een soort sanitair principe dat goede architectuur te maken heeft met geestelijke volksgezondheid. Dat zie je heel sterk bij architecten als Herman Hertzberger die zijn grijze, kale architectuur altijd omgaf met moralistische rechtvaardigingen. En er bestaat hier een sterke ideologie van cultuurspreiding waar allerlei stichtingen en ook ministeries zich mee bezighouden. Na de oorlog ontstond bijvoorbeeld de Stichting Goed Wonen die decreteerde dat dikke meubels slecht waren en ranke goed. De culturele elite heeft een sterke zendingsdrang en doet wat vroeger de pastoors en de dominees deden: ze wil het mooie gedachtengoed onder het grote publiek verspreiden. Maar zelf wil die culturele elite telkens weer een stap op de massa voor zijn, en zodra het grote publiek iets avantgardistisch heeft geaccepteerd is de elite alweer op jacht naar de volgende avant-garde. Voordeel hiervan is dat als in geen ander land jonge architecten in Nederland de kans krijgen. Nadeel is dat de wil om voortdurend iets nieuws te ontdekken ertoe leidt dat allerlei puberale plannen worden uitgevoerd en dat allerlei fouten keer op keer worden herhaald.”

De meest gebruikte rechtvaardiging van de modernistische witte doos was en is natuurlijk de functionaliteit ervan. “Dat is een leugen van Walter Gropius, de oprichter van het Bauhaus”, zegt Soeters. “Eerst maak je een functionele plattegrond, zei Gropius, en dan maak je van binnenuit, precies waar je ze wilt hebben, de ramen. Maar als er iemand was die op een klassieke manier, vanaf de buitenkant dus, maatverhoudingen gebruikte om een mooi gecomponeerde gevel te krijgen, dan was hij het wel. Niet voor niets noemde hij zichzelf in het correspondentenclubje van werkloze architecten tijdens de Eerste Wereldoorlog 'Mass', maat.

“Je hoort mij overigens niet zeggen dat functionele architectuur een mythe is. Het eerste dat je moet doen als je een goed gebouw maakt, is nadenken over de manier waarop de plattegrond is georganiseerd. Ook bij het Circus in Zandvoort hebben we eerst een half jaar lang alleen maar plattegronden getekend. Maar het beeld kan min of meer los van de plattegrond worden bedacht. Vervolgens ga je overwegen hoe die buitenkant de binnenkant kan beïnvloeden en omgekeerd. Zo krijg je een langdurig en afwisselend proces van binnen naar buiten en van buiten naar binnen denken tot er een oplossing uit naar voren komt.

“Dat is heel iets anders dan Gropius en andere Nieuwe Bouwers leerden, maar hun verhaal is steeds door onze schoolmeesters doorverteld aan de studenten en die zijn het op het laatst nog gaan geloven ook. Het onderwijs in Nederland is slecht en bestaat voornamelijk uit een mythologie van steeds maar weer dezelfde gebouwen, terwijl er natuurlijk veel meer expressiemiddelen bestaan dan alleen de witte doos.”

Niet Walter Gropius, maar Morris Lapidus (1902) is dan ook een van de helden van Sjoerd Soeters. Deze Amerikaanse architect ontwierp onder meer grote, feestelijke hotels in Miami, die joyeus genoeg waren om in James-Bond-films als decor te dienen, maar die door de meeste architectuurcritici als vulgair werden afgedaan. Een van Lapidus' uitspraken die Soeters in zijn essays en lezingen wel eens aanhaalt, luidt: “Let's say you like ice-cream. Why have one scoop of ice-cream? Have three scoops.”

“Lapidus heeft verbitterd afscheid genomen van het vak”, zegt Soeters. “Hij heeft altijd hard moeten vechten tegen al die mensen die zeiden dat hij bagger maakte, en was ten slotte zo teleurgesteld dat hij zijn hele archief in de fik heeft gestoken. Sinds ik hem in een boek in 1975 ontdekte, gebruik ik dia's van zijn werk om bij lezingen te laten zien hoe rijk, ordinair en emotioneel architectuur kan zijn. Het grappige is dat hij nu bij zijn lezingen plaatjes van mijn werk gebruikt.”

Ondanks zijn voorkeur voor een 'emotionerende' architectuur heeft Soeters zijn plaats gevonden in de modernistische Nederlandse architectuur. “Misschien omdat ik een uitzondering ben, zeg ik dan heel pedant”, geeft Soeters lachend als verklaring. “Maar anderzijds weet ik ook dat de verschillen heel klein zijn. Wat ik heb gedaan, is misschien alleen een heel klein zijstapje maken ten opzichte van de hoofdstroom. Ik doe het op een paar punten anders, maar ik zie mezelf niet als een radicale afwijzer van het modernisme. Dat kan ook helemaal niet. Het is net als met het christendom. Ook al ben je in Nederland geen christen, je bent het uiteindelijk natuurlijk wel. Je leeft in een volstrekt christelijke cultuur en ook al ben je, zoals ik, niet christelijk opgevoed, je hebt het christendom met de paplepel ingegoten gekregen. Zo is het met het modernisme in de architectuur ook.”

Stadsreparaties

De laatste jaren is Soeters zich steeds meer gaan bezighouden met stedebouw. Eind jaren tachtig raakte hij betrokken bij de LaVi-kavel, een gebied in het centrum van Den Haag dat onder leiding van de Luxemburgse architect Rob Krier opnieuw wordt ingericht. Onlangs maakte Soeters een stedebouwkundig ontwerp voor de vernieuwing van Mariënburg en Plein 44, een winkelgebied in Nijmegen en, samen met dS+V en Rudy Uytenhaak, het stedebouwkundig ontwerp voor het Piet Smit-terrein, een gebied tussen de Nieuwe Maas en het Feijenoordstadion in Rotterdam. “Dat ik me met stedebouw ben gaan bezighouden, heeft te maken met de terugtredende overheid”, zegt Soeters. “Overal zijn de stedebouwkundige diensten uitgekleed en de overheid heeft lang niet meer zo'n greep op de stad als vroeger. Er zijn wel allerlei wethouders die denken dat als ze een beroemde architect een gebouw laten neerzetten ze ook een mooie stad krijgen, maar zo werkt het niet. Wij proberen het gat dat de overheid heeft laten vallen tussen stedebouw en architectuur te vullen door met de betrokken partijen - de overheid en de projectontwikkelaars - om de tafel te gaan zitten. Die twee machten bij elkaar zorgen voor nieuwe mogelijkheden in de stad, maar je ziet toch meestal dat allerlei stedelijke functies naar de periferie trekken. Dat betekent de dood van de stad. Je kunt onduidelijke gebieden als de periferie verheerlijken en net als Rem Koolhaas een lofzang houden op verwarring, congestie en chaos, maar in het dagelijks leven zijn die, net als files, alleen maar vervelend. Zulke gebieden hebben geen kwaliteit. Eigenlijk ben ik steeds meer bezig met stadsreparaties, met onzichtbaar stopwerk. Daar heb ik, net als in het ontwerpen van gebouwtjes, plezier in. Het werk hangt een beetje tegen de politiek aan: ideeën formuleren die zowel voor de marktpartij als voor de overheid aantrekkelijk zijn. Ik geloof niet dat er een dichotomie tussen die partijen bestaat; ze hebben elkaar nodig.”

Met de uitvoering van een van die ideeën, voor de herinrichting van het Java-eiland in Amsterdam, is inmiddels begonnen. Soeters besloot het langgerekte eiland in het IJ door de aanleg van dwarsgrachten in vijf kleinere delen te splitsen. Ook de bebouwing, 1300 woningen en 1500 vierkante meter bedrijfsruimte, is verdeeld in kleinere delen. Langs de kades aan het IJ en de IJ-haven komen door verschillende architecten ontworpen woonblokken van allemaal 27 meter breed, steeds bedoeld voor verschillende soorten bewoners zoals ouden van dagen, gezinnen, en een- en tweepersoons huishoudens. Langs de nieuwe grachten komen smalle, door voornamelijk jonge architecten ontworpen grachtenpanden van 4,5 meter breed. Op de binnenhoven van de vijf eilandjes komen losstaande palazzi te staan.

De opzet van het Java-eiland is de tegenpool van het nu grotendeels voltooide KNSM-eiland, dat in het verlengde van het Java-eiland ligt en waarvoor Jo Coenen het stedebouwkundige ontwerp maakte. “Jo Coenen heeft gedacht: ik heb een kolossaal eiland, daar ligt een nog kolossalere plas water omheen, dus laat ik maar kolossale gebouwen op dat eiland neerzetten, zodat ze in gesprek raken met de omgeving. Het zijn monumentale elementen, van verre zichtbaar, en het woongebouw van de Duitse architect Hans Kollhoff dat er staat is inderdaad een prachtige sculptuur. Maar ik steek er mijn hand voor in het vuur dat dat gebouw over 15 jaar zeer problematisch is. Het is te groot, te anoniem en er zijn teveel verschillende categorieën bewoners bij elkaar gezet. Je kunt er aan alle kanten binnenkomen en daarom is het niet te beheren. Er is een sociologische wet die zegt dat je sommige categorieën bewoners niet bij elkaar moet zetten. Ik heb er zelf ervaring mee gehad in de Bijlmer. Daar hadden we in een groot nieuw plan bewust alle schotten tussen de verschillende soorten bewoners weggehaald - en daar werd binnen twee jaar de eerste moord gepleegd. Nu kun je als architect de verantwoordelijkheid daarvoor afwijzen door te zeggen dat jij het niet bent die de moord heeft gepleegd. Maar wanneer het systeem van woningtoewijzing ervoor kan zorgen dat een jonge studente en een resocialiserende ex-crimineel samen op een HAT-eenheid terechtkomen, dan is dat vragen om moeilijkheden. Je moet mensen met verschillende woonculturen uit elkaar houden, zodat de bejaarde geen last heeft van de dag en nacht feestvierende yup.

“Op het Java-eiland heb ik geprobeerd een tussenmaat te vinden tussen de omvang van het eiland en de maat van de voetganger. Aan andere kant heb ik ervoor gezorgd dat er een verband tussen al die verschillende gebouwen ontstaat door ongeveer dezelfde maten aan te houden. Het is één grote familie van gebouwen. Ik denk dat de behoefte aan een eigen plek steeds groter wordt. Architecten als Walter Gropius zagen 70 jaar geleden een auto staan naast een pannekoekhuisje en zeiden: “Wat is dat voor raar huisje? Wij architecten kunnen toch wel een huisje maken dat minstens zo modern is als die auto!” Zo word je nu doodgegooid met virtual reality, digitalisering, computerisering en modernisering van de wereld die om een nieuwe architectuur zouden vragen. Maar ik denk dat juist in een tijd waarin iedereen voortdurend op weg is en je voor drie dubbeltjes de wereld kunt rondvliegen, het steeds belangrijker wordt een uitvalsbasis te hebben, een epicentrum in de wereld, een soort nest, een eigen plek.”