De man die geen ja zei tegen zichzelf; Het verscheurde leven van de schrijver-politicus Cola Debrot

De Antilliaanse planterszoon Cola Debrot kon niet kiezen tussen een maatschappelijke carrière en zijn kunstenaarschap, tussen tropisch gevoel en Hollands realisme. Onlangs verscheen een omvangrijke biografie van Debrot, de eerste Antilliaanse gouverneur van de Antillen. “Debrot begreep meer van de veranderingen die de eilanden doormaakten dan enige andere vertegenwoordiger van zijn klasse.”

J.J. Oversteegen: 'In het schuim van grauwe wolken' en 'Gemunt op wederkeer'. Uitg. Meulenhoff, resp. 557 en 397 blz. Prijs ƒ 49,50. Cola Debrot: Verzameld Werk in zeven delen. Uitg. Meulenhoff, prijs ƒ 295,-. De delen zijn ook los verkrijgbaar.

Gedurende de laatste tien jaar van zijn leven was de schrijver en staatsman Nicolaas Debrot (1902-1981) de prooi van een aanhoudende depressie. Eerst opgenomen in een psychiatrische inrichting, daarna voortdurend onder medicatie. Gekweld door extreme schuldgevoelens, soms hallucinerend en nauwelijks meer in staat om te werken.

Het was het trieste einde van een man met veel talenten, maar niet dat om een keuze te maken uit al zijn mogelijkheden. Tussen zijn kinderjaren aan een verlaten baai op Bonaire en zijn einde in het Rosa Spier-huis voor bejaarde kunstenaars te Laren liggen huizen in Utrecht, Parijs en Willemstad; vriendschappen met Marga Klompé en Louis-Ferdinand Céline; de briljante novelle Mijn zuster de negerin en volmaakt mislukte toneelstukken; studies in de rechten en de medicijnen; verhandelingen over alle mogelijke kunstvormen en over politiek; perioden waarin het leek of hij zich aan het kunstenaarschap zou wijden maar ook altijd weer bestuurlijke baantjes. En voornemens, plannen voor nooit geschreven boeken, afgebroken projecten, een heel niet-bestaand oeuvre dat misschien wel groter is dan het uiteindelijk wel verwezenlijkte Verzameld Werk.

Misschien kwam het omdat hij zo aardig was en zo moeilijk nee kon zeggen. Misschien omdat hij geen ja kon zeggen tegen zichzelf; wat vaak neerkomt op hetzelfde. Naar eigen zeggen streefde Cola Debrot er naar om tegenstellingen niet te ontkennen maar met elkaar te verbinden en te verzoenen, zowel maatschappelijk als artistiek. Maar voor iedereen geldt nu eenmaal dat er tegen het einde van een leven steeds minder te kiezen valt en steeds meer moet worden omgekeken naar het spoor van de gemaakte keuzes. Ik kan me voorstellen dat Cola Debrot ten slotte achter zich een slordig pad zag, gedeeltelijk aan het oog onttrokken door de rookwolken van Willemstad, maar ook door de gammele constructie al bezig uitgewist te raken, te vervagen, compleet met het literaire werk dat juist in iedere bocht als een solide mijlpaal had kunnen staan. Ik kan me ook voorstellen dat een intelligent en gevoelig mens daar reddeloos depressief van wordt.

Landvoogd

Het ligt voor de hand de directe aanleiding voor het uitbreken van zijn ziekte te zoeken in de dramatische laatste maanden van Debrots gouverneurschap op de Nederlandse Antillen. Als gouverneur had hij een dubbelfunctie waarvan de twee componenten niet altijd even makkelijk te verenigen waren. Aan de ene kant was hij vertegenwoordiger van het moederland, en als zodanig werd hij ook wel met de feodale titel 'landvoogd' aangeduid. Maar anderzijds functioneerde hij ook als staatshoofd binnen de lokale democratie van de zes eilanden. Debrot was de eerste Antilliaan die dit hoge ambt bekleedde; een teken dat het accent steeds meer op die tweede rol, en op de zelfredzaamheid van het rijksdeel kwam te liggen. Zelf was hij zijn leven lang een voorstander geweest van meer zelfstandigheid voor de Antillen, die in zijn ogen echter moest samengaan met de emancipatie van het arme, gekleurde deel van de bevolking. De lokale elite, waar Debrot uit voortkwam, was dubbelzinniger in haar voorkeuren: van oudsher wantrouwend tegenover alles wat zweemde naar bevoogding en betutteling vanuit het verre Nederland, maar tegelijkertijd ook zeer gehecht aan alle voorrechten die men ontleende aan de koloniale situatie.

Acht jaar lang, vanaf 1961, had Debrot met redelijk succes geschipperd in het pierebadje van de politiek op Curaçao. In oktober 1969 zou hij met pensioen gaan. Maar op dertig mei van dat jaar verliest het emancipatieproces op slag zijn beoogde geleidelijkheid. Een arbeidsconflict bij Werkspoor en Shell op Curaçao leidt tot een grootscheepse demonstratie, de demonstratie tot plunderingen, de plundering tot gevechten en aan het eind van de dag staan honderden huizen in brand en worden er twee doden geteld en honderdvijftig gewonden. De Nederlandse premier De Jong laat een detachement mariniers invliegen, een maatregel die Debrot ten volle onderschrijft. Tegelijkertijd stuurt hij echter de regering naar huis en gaat een gesprek aan met de leiders van de opstand. Achteraf bezien een wijs besluit, dat verdere escalatie van de onlusten heeft voorkomen en de sociale onrust kanaliseerde in de richting van de volksvertegenwoordiging, waarin de vakbondspartij na vervroegde verkiezingen inderdaad ruimschoots zitting kreeg.

De gezeten burgerij van Curaçao beschouwde het handelen van de gouverneur echter als verraad, aan zijn positie en aan zijn klasse. Dat Debrot 'door de knieën ging voor de rebellen' werd hem bitter kwalijk genomen. Toen hij tenslotte vertrok weigerde de complete elite van het eiland op zijn afscheidsrecepties te komen. Lege zalen, laaiende stilte. Aan boord van het schip dat hem met zijn vrouw Estelle naar Nederland bracht, sloeg de depressie in volle hevigheid toe, om hem tot zijn dood nooit meer geheel te verlaten.

Puinhoop

Dat hij Willemstad, de plek waar hij in de eerste jaren van de eeuw een onbezorgde jeugd had doorgebracht, als een rokende puinhoop moest achterlaten, had ook een steviger natuur uit zijn evenwicht gebracht. Maar het is zeker dat alleen iemand in wie, zoals het geval was bij Debrot, de depressieve geaardheid al stevig aanwezig is en die ook om andere verliezen treurt, zo extreem reageert op een dergelijke deceptie. Een heel leven, Debrot was al bijna zeventig, leidt naar een dergelijke crisis. Niet onontkoombaar, niet volgens de wetten van oorzaak en gevolg. Maar wèl op een manier die te reconstrueren is. Wie het eind van een verhaal kent, weet ook meer van het begin.

J.J. Oversteegen, die een ruim negenhonderd bladzijden dikke, tweedelige biografie over Debrot heeft geschreven, laat helaas na dat verhaal te vertellen. Het lijkt bij hem soms wel of de gemoedsgesteldheid van zijn hoofdpersoon naast de levensfeiten staat, in plaats van er onverbrekelijk mee te zijn verbonden. 'Het heeft geen zin, te speculeren over de aard van de depressie waaraan Cola leed,' meent Oversteegen. En: '(De oorzaken) zullen wel heel diep gelegen hebben, misschien waren ze biologisch of erfelijk bepaald. Het enige dat daarover met goed fatsoen te zeggen is, zou zijn: kijk naar Debrots levensloop en zijn familie (depressies, zelfmoorden).'

Die mededeling, in het op twee-na-laatste hoofdstuk van het tweede deel van zijn ontzagwekkend opus, komt bij de lezer, of althans bij deze lezer, als een vuistslag aan. 'Kijken naar Debrots levensloop' - is dat niet bij uitstek de taak van de biograaf? Zo'n aanbeveling mag je misschien verwachten bij een bundel biografische notities, in een eerste aanzet tot verdere studie, een onuitgewerkt Materialienbuch. Maar ze past niet in een volwassen biografie van deze lengte.

Hier en daar is wel een verklaring te vinden voor de beleefde afstand die Oversteegen niet alleen hier, maar in zijn hele boek ten aanzien van zijn onderwerp in acht heeft genomen. Hij heeft natuurlijk wel degelijk vrienden geraadpleegd die Debrot in zijn meest wanhopige periode hebben meegemaakt. Maar die 'kunnen er niet over praten'. Evenmin als de weduwe, die volgens Oversteegen toch 'de ruimst denkbare medewerking' heeft gegeven en nimmer gebruik maakte van haar 'contractuele recht om in te grijpen in mijn tekst als daar om redenen van privacy aanleiding toe zou zijn'. Misschien dat dit contract èn de sympathie die Oversteegen voelde voor Cola en Estelle Debrot hem ertoe hebben gebracht zichzelf beperkingen op te leggen. Hoe het ook zij: discretie en een neiging om de zwarte kanten van zijn hoofdpersoon glad te strijken, zijn, naast een neiging tot grote volledigheid als het gaat om de weergave van schriftelijk materiaal, de belangrijkste kenmerken van deze biografie.

Planter

Cola Debrot is bij een groot publiek vooral bekend als schrijver van de novelle Mijn zuster de negerin, uit 1934. De geschiedenis is op dit punt rechtvaardig geweest. Ondanks zijn geringe omvang is het inderdaad Debrots belangrijkste werk. Het betekende niet alleen zijn doorbraak als schrijver, maar staat ook aan het begin van een kleine, maar kwalitatief hoogwaardige Nederlandstalige traditie in de literatuur van de Nederlandse Antillen. Het boek sneed bovendien een onderwerp aan, dat beladen was in het vaderland van de schrijver: de verhouding tussen zwart en blank, arm en rijk, voormalige slaven en kolonialen. De hoofdpersoon is de zoon van een rijke planter, net als Debrot zelf, die na jaren van studie in Nederland zijn geboorte-eiland opnieuw bezoekt en er verliefd wordt op een jonge, zwarte onderwijzeres. Ze blijkt een dochter van zijn vader.

Op Curaçao wordt geen onderscheid gemaakt tussen het persoonlijke en het politieke en dus al helemaal niet tussen werkelijkheid en literatuur. De gechoqueerde Antillianen veronderstelden dan ook onmiddellijk bij verschijnen dat Debrot over zijn eigen vader geschreven had. Het maken van kinderen bij het personeel was immers eerder regel dan uitzondering onder rijke Hollanders, zij het dat men er natuurlijk nooit over schreef. Oversteegen neemt de familie Debrot ongevraagd in bescherming tegen de aantijging dat vader deelhad aan die dubbele moraal. 'Jean Jacques Debrot heeft geen bijvrouw gehad,' stelt hij onomwonden.

Waar de biograaf die zekerheid vandaan heeft, wordt niet duidelijk. Dat is des te vreemder, wanneer hij, enige honderden pagina's verder, vaststelt dat zelfs de zoon volstrekt onkundig was van zijn vaders erotische avonturen. Wanneer Cola Debrot als nieuwbakken gouverneur kennismaakt met het hoofd van de huishoudelijke dienst in de ambtswoning, vertelt deze functionaris dat ze familie van elkaar zijn: de huismeester is een kleinzoon van Debrots vader. De gouverneur, schrijft Oversteegen, wist niet dat zijn vader 'in zijn jonge jaren, voor zijn huwelijk' een kind had verwekt. “Waar moet ik iemand vandaan halen die géén familie is,” verzucht Debrot, die de Antilliaanse mores kende, tegen zijn neef de bediende. En op grond waarvan weet zijn biograaf dan zo zeker dat het bij dat ene 'buitenkind' gebleven is?

Liefde

Oversteegen is op zijn best wanneer hij teksten analyseert. Teksten van Debrot zelf, van zijn critici en van anderen, bijvoorbeeld collega-auteurs die in dezelfde bladen als Debrot publiceerden. De liefde en de nauwgezetheid waarmee hij dat werk verricht zijn voorbeeldig en maken van de twee boeken een gezaghebbende bron voor iedereen die iets wil weten over de literatuur van Debrot en zijn vrienden, zowel in Nederland als op de Antillen. Zo laat hij fraai zien, dat Mijn zuster de negerin heel anders gelezen wordt door Antillianen dan door Nederlanders. Maar zodra de teksten op het leven van de schrijver betrokken moeten worden, en dat is per slot van rekening de bedoeling in een biografie, is Oversteegen minder zeker. Vooral wanneer de tekst in kwestie als fictie wordt gepresenteerd.

Debrot volgde vaak zo nauwgezet de werkelijkheid in zijn romans en zijn verhalen, dat een biograaf gemakkelijk in de verleiding komt er ook aanwijzingen aan te ontlenen. Oversteegen erkent dat en doet dat soms ook, zij het schoorvoetend, want hij is een literatuurvorser uit de Merlyn-traditie, die feit en fictie liefst zou zien als twee geheel gescheiden werelden. Zijn oplossing voor het dilemma: hij beschouwt de autobiografische details in de boeken van Debrot als 'functionele elementen', niet meer dan trucjes voor het in gang zetten van de verbeelding, en stelt dat de 'kernsituatie' van bijvoorbeeld Mijn zuster de negerin op fantasie moet berusten. Dat onderscheid lijkt me nogal willekeurig. Het wordt op losse schroeven gezet wanneer Oversteegen het gedicht 'Buiten bereik' gebruikt als bewijsmateriaal voor de 'enigszins ambivalente relatie' van de auteur tot zijn vader - en trouwens ook door Debrot zelf, die in gesprekken altijd dubbelzinnig is gebleven over wat hij wel en wat hij niet verzonnen had.

Huurling

De 'kernsituatie' is uiteindelijk natuurlijk van veel meer belang dan de details om er achter te komen wat een schrijver bezield heeft. In leven en werk van Cola Debrot is het belangrijkste thema het wonen in, of misschien beter: tussen, twee werelden. Niet alleen huisden er twee zielen in zijn borst, ze hadden ook twee nationaliteiten. Debrot definieerde de ene als de Spaanse, de katholieke, de bespiegelende kant van zijn persoonlijkheid en de andere als de Zwitserse, die protestants was, rationeel en zakelijk. Zijn overgrootvader van vaderskant was een huurling uit Neuchâtel die op Bonaire trouwde met een Hollandse domineesdochter; zijn moeder was een Venezolaanse met een Franse naam. De eerste veertien jaren van zijn leven bracht Cola Debrot door op Bonaire, op Curaçao en in Venezuela. In 1916 werd hij naar school in Nederland gestuurd. Dat was een vreemde beslissing van zijn ouders. Hun oudere zoons studeerden in de Verenigde Staten en in Europa was het volop oorlog. Zelf heeft Debrot weleens gesuggereerd dat zijn liefde voor de Nederlandse literatuur de doorslag had gegeven. In ieder geval gaf hij als zestienjarige, in eigen beheer, zijn eerste dichtbundel uit: Heimwee, opgedragen aan zijn moeder.

Als student in Utrecht deelt hij lange tijd een huis met de schilder Pyke Koch, die net als Debrot twijfelde of hij kunstenaar zou worden. De twee 'werkten aan hun talent'. Toch zou het nog twaalf jaar duren, tot 1933, voor hij zijn eerste werk, de nu zeer gedateerde politieke novelle De Mapen, naar het tijdschrift Forum durfde te sturen. Hij had intussen in Parijs zijn latere vrouw, een danseres, en via haar de nog onbekende Céline leren kennen. Céline was belangrijk voor de stuurloze Debrot. Hij inspireerde hem, zij het niet tot schrijven maar tot het beginnen, bijna dertig jaar oud, van een nieuwe studie: medicijnen. Pas terug in Utrecht stimuleerden zijn vrienden Marsman, Engelman en Ter Braak hem om zijn literaire ambitie serieus te nemen. Mijn zuster de negerin was, afgezien van enkele gedichten, zijn tweede volwassen publikatie.

Vanaf 1935 werkt hij vervolgens, naast zijn studie en later een praktijk als huisarts, aan wat een panoramische roman over het angstige levensgevoel van de jaren dertig moest worden, die zich afspeelt in Nederland, Frankrijk, het Caraïbisch gebied en de Verenigde Staten. Debrots filosofie van het 'romantisch rationalisme', zijn benaming voor een metafysica die nauw verbonden is met het alledaagse, zou erin tot uitdrukking komen. Het werd een mislukking. Bewolkt bestaan had voor de Westindische letteren kunnen zijn wat Du Perrons Land van herkomst voor Oost-Indië is. Maar het boek is onevenwichtig, nòg onevenwichtiger dan Het land van herkomst, en was eigenlijk al verouderd bij verschijnen. Vooral in de eerste helft zijn er een paar fraaie, breed opgezette passages maar naar het eind worden de verwikkelingen steeds byzantijnser en moeilijker te plaatsen in tijd en betekenis. Om het boek te voltooien trok Debrot zich in 1947 een jaar lang terug op een kasteeltje nabij Maastricht en hoewel zijn biograaf vooral oog heeft voor de gezellige kanten van het leven daar - Vestdijk kwam op bezoek, en Carmiggelt - moet dat een vreselijk jaar zijn geweest. Halverwege wilde hij het schrijven helemaal opgeven en ook naar eigen zeggen raffelde hij de laatste hoofdstukken haastig af. Zonder het commentaar van zijn uitgever af te wachten stapte hij in januari 1948 met vrouw en kind op de boot naar Curaçao. De kritieken waren overwegend negatief en dat is ook bij latere herdrukken zo gebleven.

Balletrecensies

Voor wie de schrijverscarrière van Debrot overziet, lijkt het onbegrijpelijk dat hem de eer te beurt is gevallen van een Verzameld Werk in zeven gebonden delen, dat tijdens de jaren tachtig verscheen en waarin ook zijn vaak nogal schoolse opstellen en zelfs volstrekt onbeduidende balletrecensies zijn vereeuwigd. De verklaring daarvoor ligt in de rol die Debrot in de jaren vijftig en zestig op de Antillen speelde als cultureel organisator, politicus en vertegenwoordiger in het buitenland. Debrot begreep meer van de veranderingen die de eilanden doormaakten dan enige andere vertegenwoordiger van zijn klasse; bijvoorbeeld dat de toekomst van de Antillen niet in Europa ligt maar in een oriëntatie op de eigen regio, op de onderlinge verwantschap van de Caraïben. Hij stimuleerde jonge schrijvers, filmers en beeldende kunstenaars zich op de ontwikkeling van hun eigen taal, het Papiaments, en hun eigen vormen te richten. Dat Debrots in het Nederlands geschreven werk daardoor automatisch aan betekenis zou inboeten in zijn vaderland was een door hem aanvaarde, paradoxale consequentie. Het is sterk de vraag of de generatie Nederlandstalige schrijvers die na hem kwam (met Tip Marugg, Frank Martinus en Boeli van Leeuwen) nog wordt opgevolgd. En daarbij komt dat de op de Antillen toch al nooit veel werd gelezen. Het Verzameld Werk kwam vooral dankzij forse subsidies van het Haagse ministerie van WVC tot stand. Erg is dat niet, zelfs ongelezen kan het een fundament zijn, een injectie voor het zelfvertrouwen, een referentiepunt in de geschiedenis van een jonge, kleine natie.

Iets dergelijks geldt voor de veel te volledige biografie van Oversteegen, die me eerder geschikt lijkt als nazoekboek dan om door een groot publiek ademloos te worden gelezen. Ze kwam er dankzij een hele reeks subsidiegevers en dankzij de vriendschap van de auteur, die helaas ook zorgde voor de al genoemde terughoudendheid bij de interpretatie. De betekenis voor de Nederlandse literatuur lijkt me, net als die van Debrot zelf, marginaal. Maar voor de Antillen telt vooral dat zo'n levensbeschrijving er ìs en dat een figuur die dáár belangrijk was ook hier, in Nederland, kennelijk serieus wordt genomen. De monumenten en praalgraven in jonge republieken moeten nu eenmaal iets groter zijn dan in bedaagde, zelfverzekerde landen. Daar is ook niet veel tegen.

Debrot heeft al dat eerbetoon zelf niet meer mogen meemaken en had het ook niet verwacht. Gemunt op wederkeer is de titel die Oversteegen aan het tweede deel van zijn epos heeft meegegeven, maar hoewel Debrot bij zijn afscheid als gouverneur beloofde snel weer op bezoek te komen is het daar niet meer van gekomen. Hij voelde zich nog wel verbonden met de Antillen maar hoorde er definitief niet meer thuis. Hij stierf in 1981, in het sombere besef, vermoed ik, dat niets zo moeilijk is als een evenwicht tussen je eigen tegenstellingen te vinden en dat romantiek en rationalisme misschien wel helemaal niet vallen te verenigen. En toch: als een mislukt leven uiteindelijk zoveel waardering losmaakt en betekenis blijkt te hebben gekregen, is alle pijn en moeite niet helemaal voor niets geweest.