Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Oorlog

Pétain, held en verrader

Richard Griffiths: Marshall Pétain 378 blz., geïll., Constable 1994 (1970), ƒ 44,05

De mythe van Philippe Pétain, de ware held uit de Eerste Wereldoorlog en van Pétain, de verrader van Frankrijk uit de Tweede, is de inspiratiebron geweest van de Britse historicus Richard Griffiths. Hij was in 1970 de eerste serieuze biograaf van de Franse maarschalk. Nu is zijn boek herdrukt, nadat er in de afgelopen twintig jaar een vloed van nieuw materiaal over Frankrijk in oorlogstijd is verschenen. De gebruikelijke incubatieperiode over de geschiedenis van die jaren heeft in Frankrijk wellicht langer geduurd dan elders. Roem was er weinig te behalen geweest in die duistere tijd. Een jaar na de bevrijding door de geallieerden, eiste een slopende koloniale oorlog in Zuidoost-Azië de aandacht op en dat zou met het dekolonisatieproces in Noord-Afrika in de jaren vijftig zo blijven. Parijs koesterde zich in nieuw verworven glans, maar Frankrijk had gedurende de gehele Vierde Republiek grote moeite met een plaatsbepaling in Europa en de wereld.

Pas tijdens generaal De Gaulles Vijfde Republiek groeide de aandacht voor het nabije verleden, voor de geschiedenis van Frankrijk in het Interbellum en voor de jaren van de Duitse bezetting en de rol van Vichy, het midden-Franse 'Kurort', waar de wonden van de nederlaag werden gelikt in een klimaat van illusies en van wat zelfstandig regeren werd genoemd.

In Vichy zetelde de laatste overlevende ikoon van de Franse gloire uit de Eerste Wereldoorlog, maarschalk Philippe Pétain, de held van Verdun, de 85 jaar inmiddels gepasseerd, in praktisch totale machteloosheid. Hij was een speelbal van de Duitse bezetter geworden. Bij de overname van zijn rol als beheerder van niet-bezet Frankrijk in juli 1940 had hij nobel gezegd zijn persoon aan zijn vaderland ter beschikking te stellen. De herdruk van Griffiths' biografie hangt samen met de processen tegen de oorlogsmisdadigers Barbie en Touvier en met de (kleine) rol, die de huidige Franse president Mitterrand tijdens het regime van Vichy heeft gespeeld.

Illusie

Pétain koesterde in Vichy de illusie dat hij met de Duitse generaals, maarschalk Göring voorop, zou kunnen spreken als soldaten onder elkaar. Zo nu en dan gromde de oude leeuw van Verdun. Dan ontsloeg hij, geïnspireerd door zijn armzalige hofhouding, zijn plaatsvervangend premier Laval die dan door de Duitsers weer in het zadel werd gehesen. De maarschalk slikte het. Soms liet hij een protesterend memorandum overhandigen om onmiddellijk in een radiorede een draai van 180 graden te maken.

Van zijn Nationale Revolutie, een morele Renaissance van Frankrijk, na de demoraliserende laatste tientallen jaren van de Derde Republiek, kwam niets terecht. Wederom bleek president Pétain geen greep te hebben op de gebeurtenissen en op zijn eigen entourage, zijn kroonprinsen Laval en Darlan voorop. De laatste, de admiraal die eind 1942 zijn vloot aan de Geallieerden zou uitleveren, kon er op bogen dat hij tussen 1920 en 1939 die Franse vloot adequaat had uitgerust. Dit in tegenstelling tot het leger, waarvoor Pétain ten minste mede verantwoordelijk was geweest. Met zijn immense prestige uit de Eerste Wereldoorlog, als vooraanstaand adviseur en als invloedrijk minister van Oorlog in 1934 had hij geen oog gehad voor de naderende bewegingsoorlog, voor de veranderde rol van tanks en voor de macht van het luchtwapen. Hij had zich bijna letterlijk ingegraven in een loopgraaf uit de jaren '14-'18.

Men kan zich voorstellen dat Griffiths gefascineerd werd door zijn onderwerp. De verguisde held Pétain, levend in een bijna ridderlijke traditie als het om het krijgsmansbedrijf ging, zou als held in vergetelheid zijn geraakt als de Eerste Wereldoorlog niet was uitgebroken. Op dat moment was hij 58 jaar oud, dichtbij zijn pensioen en als beroepsofficier niet verder gekomen dan kolonel. Generaals, zoals zijn latere rivaal Foch, sloegen hem met minachting en achterdocht gade.

Waar anderen duidelijk faalden, klom Pétain razendsnel omhoog. De langdurige slag om Verdun vestigde zijn roem. Op het daar verworven prestige kon hij gemakkelijk tussen de beide wereldoorlogen voort. In 1918 was hij als opperbevelhebber geen succes geweest, maar hij bleef de man van Verdun. Hij had een afkeer van de politiek en de meeste politici, zijn opvattingen over de politiek waren in de barakken gevormd en waren tamelijk primitief, maar zijn prestige was overheersend. Zijn nogal onaangename karakter, dat hem vóór 1914 in de weg had gezeten èn zijn gereserveerdheid leken dat in de jaren dertig alleen maar te schragen.

Hij bewonderde Mussolini, de Duitse 'orde' na de komst van Hitler sloeg hij met afgunst gade. Het is wellicht tekenend voor het gebrek aan kennis van het dolende Frankrijk in 1940, dat zijn intrede in het oorlogskabinet Reynaud met gejuich werd begroet. Maar Pétain, noch de te hulp geroepen Weygand, de oogappel van Foch, geallieerd opperbevelhebber in 1918, kon iets uitrichten tegen de oprukkende Duitse legers.

In de jaren daarna heeft Pétain niets meer voor zijn land kunnen betekenen. Als hij over zijn Nationale Revolutie sprak en eerbied vroeg voor vaderland en gezin - zelf was hij tot op hoge leeftijd een notoir ontrouwe echtgenoot - geloofde premier Laval het wel. De Duitsers eisten en kregen steeds nieuwe concessies van het machteloze Vichy. De toenemende invloed van de rabiate Franse fascisten, die in Parijs met de bezetters samenspanden - het is een weinig verheffend schouwspel, waarin Pétains gedachte hoofdrol slechts leidde tot machteloze gebaren in de coulissen.

Ook zijn eind was weinig verheffend. In 1944, na de geallieerde invasie, voerden de Duitsers hem weg. Hij protesteerde bij Hitler, maar kreeg geen antwoord. Uiteindelijk werd hij via Zwitserland uitgeleverd. Op zijn 89ste werd hij veroordeeld. Nog zes jaar zou hij in toenemende seniliteit tot zijn dood op Ile d'Yeu doorbrengen.

Dubbelzinnig

Griffiths heeft al in 1970 gepoogd de tegenstellingen in het leven van Pétain te beschrijven. Maar daarbij overheerste soms zijn mededogen en werd hij nogal eens meegesleept door de eerste reputatie van de held van Verdun. De dit jaar verschenen herdruk had dan ook bepaald scherper moeten worden aangezet. Zo gaat de vergelijking van Pétain met De Gaulle beslist niet op. De maarschalk had niets op met de jonge generaal, die onvoldoende onder de indruk was van zijn reputatie. Maar los daarvan: in tegenstelling tot Pétain had de leider van de Vrije Fransen en grondlegger van de Vijfde Republiek wèl een politieke visie. Ook is Griffiths nog steeds dubbelzinnig over Pétains houding tegenover de joden. Pétain was opgevoed in de antisemitische traditie van het leger en Griffiths neemt op tamelijk schrale gronden aan dat hij zich zou hebben willen verzetten tegen het afvoeren van de joodse oud-strijders, zijn medehelden van Verdun. Maar voorzover er in Vichy druk werd uitgeoefend op de Duitsers om de jodenvervolgingen tegen te gaan, kwam dat verzet eerder van Laval dan van de president. Het onderwerp zal de schrijver niet erg geïnteresseerd hebben, moet de droevige conclusie luiden.

Nog een voorbeeld: Griffiths klampt zich vast aan de ontvangst die Pétain eind april 1944 ten deel viel bij een zeldzaam bezoek aan Parijs. Honderdduizenden juichende mensen. We kennen dat beeld ook uit een televisiefilm, waarin het gemonteerd wordt vlak voor de beelden van De Gaulles intrede in de Franse hoofdstad vier maanden later. Weer evenveel mensen? De beelden en Griffiths doen het vermoeden. Maar de nuchtere biograaf van de Franse nederlaag, J.-B. Duroselle, wist in 1982 beter: “Parijs is groot, op die 26ste april moesten schoolkinderen en ambtenaren aanwezig zijn en (waar er bij Pétain 200.000 mensen waren) meer dan twee miljoen mensen juichten De Gaulle toe. Zeggen 'Dat zijn dezelfden' is een belediging van de Parijzenaars.”

Griffiths' boek geeft veel inzicht in het Frankrijk dat zijn in de Eerste Wereldoorlog opgelopen wonden likte, maar het moet, zeker wat de Vichy-periode betreft, met skepsis worden gelezen, want de beoordeling van Pétain is daaraan inherent.