Plattelandsvernieuwing is toverformule voor de boeren

Plattelandsvernieuwing, de toverformule uit het regeerakkoord, moet de neerwaartse spiraal doorbreken en een proces op gang brengen waar landbouw, natuur en recreatie alle drie beter van worden. Volgens een enquête van de Wageningse Landbouwuniversiteit zal het aan de boeren niet liggen. Nog maar weinig agrariërs blijken in het traditionele landbouwmodel te geloven. Een cultuuromslag? “De natuurbeschermingsorganisaties verdenken ons van boerenslimheid.”

In het regeerakkoord van het paarse kabinet dook de term plattelandsvernieuwing voor het eerst op. Hij is bedacht door ex-minister Pieter Winsemius. Als voorzitter van de Vereniging Natuurmonumenten schreef hij samen met de voorzitters van het Landbouwschap en de Unie van Provinciale Landschappen een brief aan de kabinetsinformateurs waarin hij aandacht vroeg voor de problemen van de landbouw en de natuur. Die konden volgens hem opgelost worden met 'plattelandsvernieuwing', waarvoor hij 200 miljoen per jaar vroeg. Extra geld kreeg deze gelegenheidscoalitie van natuurbeschermings- en landbouworganisaties niet los. Wel werd de term als een soort toverformule opgenomen in het regeerakkoord en de regeringsverklaring. Op zoek naar aansprekende nieuwe beleidsconcepten voor de landbouw kwam het begrip, dat associaties oproept met 'stadsvernieuwing' en 'sociale vernieuwing', het nieuwe kabinet blijkbaar goed van pas.

Door het wegvallen van buitenlandse markten, de toenemende concurrentie vanuit Zuid- en Oost-Europa, de hoge milieubelasting en de geleidelijke vermindering van landbouwsubsidies heeft de Nederlandse landbouw het moeilijk. Jaarlijks beëindigen ruim 3000 boeren hun bedrijf. Binnen de landbouw voltrekt zich een koude sanering, waarvan het einde nog niet in zicht is. Een belangrijk fundament onder de plattelandseconomie wordt daarmee aangetast, waardoor ook de leefbaarheid van het platteland gevaar loopt. Behalve met de landbouw gaat het ook slecht met de natuur, het milieu en het landschap. Daardoor wordt het Nederlandse platteland steeds minder aantrekkelijk voor de stedelijke recreant. Plattelandsvernieuwing moet de neerwaartse spiraal doorbreken en een synergetisch proces op gang brengen waar landbouw, natuur en recreatie alle drie beter van worden. Boeren moeten meer gaan doen aan natuur- en landschapsbeheer en er een deel van hun inkomsten uit halen. Fraaie, goed onderhouden landschappen trekken toeristen aan die extra geld in het laadje brengen. Boeren kunnen zo de economische basis van hun bedrijf verbreden en door blijven boeren zonder dat de landbouwoverschotten groeien.

De nieuwe minister van Landbouw, natuur en visserij, Jozias van Aartsen, werd opgescheept met de invulling van het begrip plattelandsvernieuwing. In zijn begroting wijdt hij er een paragraaf aan, maar hij komt niet met concrete plannen en extra middelen. Hij bezuinigt zelfs op landinrichting en natuurbeheer, zaken die voor een eventuele plattelandsvernieuwing belangrijk zijn.

Onder boeren en tuinders bestaat een grote bereidheid om vernieuwingen door te voeren die onderdeel zouden kunnen uitmaken van de plattelandsvernieuwing, zo blijkt uit een enquête onder 676 boeren en tuinders die eind oktober/begin november gehouden is door het weekblad De Boerderij, de Stichting Ter Zake die het Nationaal Landbouwdebat organiseert en de Vakgroep Sociologie van Landbouwuniversiteit Wageningen. Onder leiding van de Wageningse landbouwsocioloog prof. Jan Douwe van der Ploeg werden de enquêteresultaten geanalyseerd. Vandaag zijn ze gepresenteerd in Leeuwarden in het kader van het Nationaal Landbouwdebat.

Veel boeren zijn 'in' voor natuurbeheer en landschapsonderhoud. Tegen een redelijke vergoeding willen ze daaraan graag een bijdrage leveren. Zij denken dit beheer goedkoper, efficiënter en beter te kunnen uitvoeren dan beheersorganisaties als Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer. Zij vinden dat de overheid meer ruimte moet geven aan zogenaamd agrarisch natuurbeheer. Dat is volgens hen zowel voordelig voor de overheid als voor de boeren. De krap bij kas zittende overheid hoeft minder geld uit te geven voor grondaankopen ten behoeve van natuurreservaten en natuurontwikkelingsprojecten, geld dat de overheid vaak niet blijkt te hebben als er landbouwgrond voor natuurdoeleinden aangekocht moet worden. Het voordeel voor de boeren is dat er minder grond aan de landbouw onttrokken wordt dan volgens het Natuurbeleidsplan uit 1990 de bedoeling was. Zij willen de gronden gebruiken binnen de randvoorwaarden van het natuurbeleid en betaald worden voor hun natuurproduktie. In verscheidene provincies zijn daarvoor al boerenverenigingen voor natuur- en landschapbeheer opgericht.

De milieudoelstellingen van de overheid hebben de boeren inmiddels geaccepteerd. Wel hebben ze moeite met de middelen die de overheid voorschrijft om die doelstellingen te realiseren. Ze willen meer vrijheid om op eigen wijze de gestelde doelen te bereiken. In streken als de Peel zijn boeren daarvoor milieucoöperaties aan het oprichten. Van der Ploeg: “Tuinders in Zuid-Holland moesten van de overheid overschakelen op substraatteelt omdat dat schoner zou zijn. Ze wilden echter in de grond blijven telen en ontwikkelden zelf een schone teelt waarmee ze de milieuprijs van de Zuidhollandse Milieufederatie wonnen. Er ontstaan op lokaal niveau allerlei nieuwe coalities, terwijl men op nationaal niveau nog in de loopgraven zit.”

Veel landbouwers verwachten te kunnen overleven door 'zuiniger te gaan boeren'. Dat betekent minder vreemd vermogen aantrekken, minder ruwvoer, krachtvoer en kunstmest kopen en voorzichtiger investeren. Zo denken ze het kostenniveau van hun bedrijf omlaag te kunnen brengen en minder kwetsbaar te worden in slechte tijden. Een hoge zelfvoorzieningsgraad is niet alleen goedkoper maar ook gunstig voor de mineralenbalans en het realiseren van milieudoelstellingen.

Boeren zijn aanmerkelijk positiever gaan denken over niet-agrarische neventakken op het bedrijf en het verwerven van een gedeelte van het gezinsinkomen buiten het bedrijf. Tot voor kort werd 'deeltijdboeren' gezien als een voorbode van stoppen. Van der Ploeg: “Boeren met een nevenberoep werden denigrerend 'postbode-boeren' genoemd.” Nu zien boeren er een mogelijkheid in om hun bedrijf voort te zetten. Ook over de buitenshuis werkende vrouw is men minder negatief. Vroeger vond een boer dat een schande. Ook hoorde hij zich niet bezig te houden met niet-agrarische neventakken als een boerderijcamping. Van der Ploeg: “Als je zo je geld moet verdienen, kun je er beter mee ophouden, werd er misprijzend gezegd. Een boer 'die het mooi voor elkaar had' was een boer met veel koeien. Nu praat men met bewondering over boeren die de economische basis van hun bedrijf verbreed hebben. Vroeger gingen boerenexcursies naar grote, moderne bedrijven, tegenwoordig naar boeren die hun zaakjes op een andere manier netjes voor elkaar hebben. Met neventakken en nevenberoepen kunnen boeren de continuïteit van hun bedrijf versterken.”

Qua toekomststrategie zijn er volgens de Wageningse landbouwsociologen vijf groepen boeren te onderscheiden. De 'wijkers' (27 procent) zien hun vertrek uit de landbouw als onvermijdelijk en hebben zich daarbij neergelegd. De 'twijfelaars' (11 procent) vragen zich af of ontwikkelingen als natuurbeheer, kwaliteitsproduktie en hermenging werkelijk kansen bieden voor de toekomst en wachten af. Een kleine groep 'traditionele groeiers' (6 procent) heeft het geloof in het oude landbouwmodel nog niet verloren en blijft streven naar schaalvergroting en specialisatie. Een meerderheid van 56 procent heeft een brede belangstelling voor vernieuwingen of is daar al mee bezig. Sommigen zien goede mogelijkheden in natuur- en landschapsbeheer, anderen zoeken het in de recreatieve sector, de verkoop van produkten aan huis of de ontwikkeling van streekeigen kwaliteitsprodukten als de Veenweidekaas.

De groep 'vernieuwers' (56 procent) valt uiteen in twee subcategorieën: de 'nieuwe groeiers' (20 procent) en de 'pure vernieuwers' (36 procent). De 'nieuwe groeiers' streven net als de 'traditionele groeiers' naar een topbedrijf met een zo hoog mogelijke produktie en de modernste technologie. In tegenstelling tot de traditionele groeiers hebben ze veel meer interesse in milieucoöperaties, streekeigen produkten, natuur- en landschapsbeheer, nieuwe bedrijfstakken en ecologisch boeren. De 'pure vernieuwers' streven niet naar een zo groot en modern mogelijk bedrijf. Zij willen vooral zuiniger boeren en een deel van hun inkomen buiten hun bedrijf verdienen.

Behalve mogelijkheden voor de toekomst zien boeren ook talrijke obstakels om die mogelijkheden te realiseren. Zo vragen velen zich af hoe de vernieuwingen gefinancierd moeten worden en of de overheid hen niet voor de voeten zal lopen met bestaande en nieuwe regels. Velen zijn ook bang voor de onzekerheid en de kans op mislukkingen. Als je eerste bent met een eigen kaas, kwaliteitsvlees of een boerderijcamping, heb je daar een tijd voordeel van, maar naarmate meer boeren zich daar op gaan werpen wordt de spoeling dunner.

Van der Ploeg ontwaart in de vernieuwingsbereidheid van de agrariërs de contouren van plattelandsvernieuwing: “De boeren nemen de maatschappelijke behoefte aan een schoon milieu, beheer van natuur en landschap, kwaliteitsprodukten en recreatieruimte duidelijk op als een uitdaging. Door hen daarin een plaats te geven, kunnen zij nieuwe economische pijlers onder hun bedrijf zetten, werkgelegenheid in stand houden en de leefbaarheid van het platteland bevorderen.”

Het draagvlak voor vernieuwing is volgens hem sinds eenzelfde soort enquête in maart van dit jaar flink gegroeid: “De belangstelling voor niet-agrarische takken op het eigen bedrijf steeg van 23 procent naar 30 procent en de interesse in werk buitenhuis om zo het bedrijf te ondersteunen nam toe van 33 procent naar 43 procent. Het meest opvallend is de toenemende belangstelling voor agrarisch natuurbeheer die omhoog schoot van 24 procent naar 79 procent.”

Van der Ploeg benadrukt dat het om opinies gaat, maar ziet in de snelle toename van concrete initiatieven zoals boerenverenigingen voor natuur- en landschapsbeheer en milieucoöperaties een aanwijzing dat boeren er serieus werk van willen maken. Opinies kunnen volgens hem wel snel veranderen: “Een bemoedigende ontwikkeling kan snel omslaan. Daarom is het belangrijk dat beleidsmakers, politici en landbouworganisaties snel en alert reageren. Anders verdwijnt het draagvlak voor plattelandsvernieuwing en verloedert het platteland.”

Volgens prof. Gert van Dijk, de drijvende kracht achter het Nationaal Landbouwdebat en de directeur van de Nationale Coöperatieve Raad, zitten de knelpunten voor veranderingen niet meer bij de boeren maar bij de overheid en de samenleving. De boeren en tuinders zijn volgens hem aan vernieuwing toe, en 'bereid en in staat het initiatief te nemen, maar is het de vraag of ze wel vooruit kunnen'.

Zo weten de overheid en de natuurbeschermingsorganisaties nog niet goed raad met de verrassende animo voor agrarisch natuurbeheer die vorm krijgt in milieucoöperaties en verenigingen voor natuur- en landschapsonderhoud. Natuurmonumenten en het Wereldnatuurfonds kijken er met argwaan naar. Ir. Klaas Voetberg van Natuurmonumenten: “Agrarisch natuurbeheer vinden we prima als het gaat om de bescherming van weidevogels, slootkantenbeheer of het in stand houden van houtwallen, maar niet als het gaat om het beheer van ecosystemen in natuurreservaten en natuurontwikkelingsprojecten. Alleen grondaankopen kunnen garanderen dat de natuur daar behouden blijft.”

Het Wereldnatuurfonds staat er nog afwijzender tegenover. Voorzitter Ed Nijpels noemde plattelandvernieuwing 'een leuk item voor jarenlange discussies' en 'zand in de motor van het natuurbehoud'. Agrarisch natuurbeheer is volgens hem een 'financieel worstje' dat de overheid de boeren voorhoudt. Beweren dat 'agrarisch natuurbeheer goedkoop en effectief natuurbeleid is, is ronduit misleidend' volgens hem. Zijn organisatie blijft streven naar een uitbreiding van het areaal 'pure natuur' met 200.000 hectare in tien jaar. Daarvoor moet veel landbouwgrond uit produktie genomen worden. WNF-medewerker Leen de Jong: “In de nieuwe grote natuurgebieden is voor landbouw en agrarisch natuurbeheer geen plaats. Daar moet de natuur vrij spel hebben. In de landbouwgebieden daarentegen moeten de boeren hun gang kunnen gaan. Het is mooi als ze daar aan slootkantenbeheer gaan doen en het landschap onderhouden, maar vanuit natuuroogpunt is het kruimelwerk. Het geld voor natuurbeheer moet daar niet in gestoken worden.”

Het agrarisch natuurbeheer zit duidelijk in de lift. Boeren beginnen er gehoor voor te vinden bij hun organisaties en bij politici. Pieter de Jong, veehouder in het Friese Oostermeer en mede-oprichter van een boerenvereniging voor natuur- en landschapsbeheer, geniet ervan dat de boeren de natuurbeschermingsorganisaties in het defensief gedrongen hebben: “Vroeger zaten wij in de verdediging. Nu weten de natuurbeschermingsorganisaties niet wat ze met onze initiatieven aan moeten. Ze verdenken ons van boerenslimheid, maar wij willen gewoon de natuur leveren waar de maatschappij om vraagt.”