Eeuwige liefde en eeuwige haat tussen yucca en yuccamot

Weinig relaties zijn zo hecht en innig als die tussen de yuccaplant en zijn bestuiver, de yuccamot. De manier waarop beide soorten samenwerken is hoogst uitzonderlijk. De Yuccamot, Tegeticula yuccasella, brengt vrijwel haar hele leven door rond de bloemen van de Yuccaplant (Yucca filamentosa). In ruil voor haar diensten als bestuiver gebruikt ze het vruchtbeginsel op de bloembodem om er haar eieren in te leggen. Maakt ze echter misbruik van de geboden gastvrijheid en zet ze teveel eieren af, dan gaat dat ten koste van de ontwikkeling van de bloemzaden.

Tot nog toe was het voor biologen een raadsel hoe zo'n bloem de motten onder controle weet te houden. Onderzoekers van de Vanderbilt Universiteit in Nashville, Tennessee, hebben daarop een antwoord. In Nature (17 november) beschrijven ze hoe de samenwerking precies in zijn werk gaat.

De yuccamot beschikt over speciale monddelen, waarmee ze al vroeg in haar prille leventje een lading stuifmeel van de bloem oppikt, die ze verder met zich meedraagt. Ze prikt het vruchtbeginsel aan met een scherpe eilegboor en tracht een ei af te zetten. Daarna klautert ze tegen de stamper op en zet een kleine hoeveelheid stuifmeel op de stempel af. Haar nageslacht voedt zich met de rijpende yuccazaden en door de bloem grondig te bestuiven verzekert de moedermot zich ervan, dat de zaden zich goed ontwikkelen en haar kroost dus geen honger zal lijden. Per bloem kan het ritueel van de eileg verschillende malen worden herhaald.

De jonge larven consumeren maar een klein deel van de zaden, de rest wordt met rust gelaten. De yuccaplant is op zijn beurt geheel afhankelijk van deze gespecialiseerde bestuiver, andere insektesoorten komen er niet aan te pas. Zo op het eerste gezicht hebben de motten er belang bij om zo veel mogelijk zaadparasieten op de wereld te zetten, maar de plant heeft tegen dat gevaar een ingenieus verdedigingsmechanisme ontwikkeld.

De plant, die tot de familie der Agaves behoort en inheems is langs de oostkust van Noord-Amerika, draagt enkele honderden bloemen per bloeiwijze. Elk bloemetje is maar een tot twee dagen open, en de hele tros is na tien tot twintig dagen uitgebloeid. Al langer werd vermoed, dat bloemen met een te zware eierlast wellicht gemakkelijker aborteren. Daarbij gaan niet alleen de bloemzaden, maar ook alle jonge motten verloren. De onderzoekers uit Tennessee hebben daarvoor als eersten het experimentele bewijs geleverd. Met engelengeduld sneden ze de priegelige vruchtbeginsels open, telden het aantal afgezette eieren en het aantal mislukte pogingen tot eileg. Een op de drie pogingen blijkt te mislukken, in dat geval vertoont het vruchtbeginsel alleen een minuscuul littekentje in de zijwand waar het door de scherpe legboor is aangeprikt. Zo'n bloem is dan toch bestoven, ook al is het ei niet gelegd.

Uit het onderzoek blijkt dat bloemen die een te zware eierlast dragen onevenredig vaak verloren gaan. Anderzijds blijken bloemen die goed bestoven zijn, maar niet propvol eieren zitten, zich voorspoedig te ontwikkelen. Bloemen met vier tot twaalf littekentjes worden zelden geaborteerd. Het selectiemechanisme werkt dus ten gunste van motten die niet teveel eieren per bloem afzetten en bovendien goede bestuivers zijn. Zo ontstaat een subtiel evenwicht tot wederzijds voordeel.