Terug naar de Euterpestraat, plek van doodsangst

Dit weekeinde vijftig jaar geleden vond een luchtaanval plaats op doelen van de Duitse bezettingsmacht in Amsterdam-Zuid. Een tiental vrouwen en mannen die als kind het bombardement hebben meegemaakt, keerden terug naar de plek van hun doodsangst.

“Zo laag vlogen ze op die zondag, ze vlogen door de straat. Dat beeld van bommenwerpers is me lang bijgebleven, ook in nachtmerries. Mijn moeder had datzelfde idee totdat mijn dochter vorige week zei: 'Maar oma, dat kan toch niet'. Toen zei zij op haar beurt: 'Nou ja, maar het lèèk wel zo'.”

Zo vertelt Karen Niemöller over haar vroegste herinneringen. Ze was drie jaar toen een squadron Typhoons van de Royal Airforce op zondag 26 november 1944 een luchtaanval deed op de Aussenstelle van de Duitse Sicherheitsdienst (SD) in de Middelbare Meisjesschool in de Euterpestraat in Amsterdam-Zuid. Tevens had de RAF het gemunt op de daartegenover gelegen bureaus voor de jodenvervolging, de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung in de Christelijke HBS aan het Adama van Scheltemaplein.

Het bombardement, uitgevoerd op verzoek van de 'binnenlandse strijdkrachten' in Nederland, was een mislukking. Weliswaar werden beide gebouwen getroffen, het ene gedeeltelijk terwijl het ander totaal in puin werd gegooid, maar het functioneren van de Duitse bezettingsmacht ondervond er weinig stagnatie door. In september 1944 was een belangrijk deel van de SD al naar Groningen verhuisd en wat nog over was, ging eind november naar de Apollolaan. Voor de Zentralstelle gold bovendien dat het werk daar vrijwel voltooid was omdat de deportatie van de tachtigduizend Amsterdamse joden drie maanden eerder al als voltooid werd beschouwd.

Tien vijftigers en zestigers die als kind het bombardement hadden meegemaakt, keerden vorige week terug naar de plek van hun doodsangst. Maar de Euterpestraat bestaat niet meer. Kort na de oorlog kreeg zij een andere naam en werd vernoemd naar de verzetsheld, Gerrit Jan van der Veen.

Het tiental maakte een wandeling door hun buurt van vroeger. Ruud Ingenhoes die 18 was en net eindexamen Barlaeus Gymnasium had gedaan: “Vanaf het platte dak van ons huis was ik bezig vliegtuigen te spotten. Het was een heldere dag. Met de verrekijker keek ik lang naar een viermotorig vliegtuig. Toen kwam er van een andere kant plotseling een hooggierend geluid. Een aanval van éénmotorige vliegtuigen op vijfhonderd meter afstand.” Ook bij Nanneke van Gulden (12) in de Corellistaat hoorden ze vliegtuigen, maar “mijn moeder zei: Wees niet bang, ze vliegen over naar Duitsland om de oorlog te winnen. Toch zat ik kort daarop in de kelder van ons huis met het vergiet op mijn hoofd”.

Frits Crasborn (15) woonde met zijn ouders, zijn broer Chris en twee onderduikers in een flat in de Beethovenstraat. “Toen we die middag aan tafel wilden gaan, klonk er een geweldige klap. Aan de overkant zagen we het dak van het tehuis Eben Haëzer omhoog gaan en weer terugvallen. Plotseling werd het stil, doodstil. De luchtaanval had tien minuten geduurd.”

Gedurende de oorlog zijn er ruim twintig geallieerde luchtaanvallen op doelen in en nabij Amsterdam geweest met in totaal circa driehonderd slachtoffers. Het zwaarste was het bombardement op de Fokkerfabrieken bij Schiphol in juli 1943 (157 doden) en betrekkelijk licht dat in de Euterpestraat (plusminus zestig slachtoffers: vier Duitsers en waarschijnlijk zesenvijftig burgers onder wie enkele, onbekende en dus moeilijk te identificeren onderduikers) waarbij de twee Duitse gebouwen en veertig woonhuizen werden getroffen.

Het bombardement was de eerste weken het gesprek van de dag, herinnert Wim Leeuwenburgh (9 jaar) die nog altijd in de Albrecht Dürerstraat woont, zich. “Daardoor speelde ik op school een soort heldenrol en was ik voor de andere kinderen wel een interessante figuur omdat ik zo vlakbij het bombardement had gezeten.” Jos Almekinders uit de Memlingstraat woonde nog dichterbij en het leek aanvankelijk of hun huis was geraakt. “We vluchtten naar buiten, maar het bleek het huis net om de hoek, in de Händelstraat te zijn. Dat was een pension voor oudere dames. Het was”, aldus Astrid Oerlemans uit het smalle deel van de Euterpestraat, “getroffen door een fosfor-rubberbom. De mensen die achter in dat huis woonden, zijn levend verbrand. Het gillen van twee oude dames, twee zussen op het balkon is een geluid dat ik nooit zal vergeten. Over het bombardement van toen is bij ons thuis weinig meer gesproken, maar bij speciale gelegenheden, zoals de Bijlmerramp komt dat beeld van die gillende vrouwen in alle hevigheid naar boven”.

Van Gulden, Ingenhoes en de initiatiefnemer voor een plaquette aan de school in de Gerrit van der Veenstraat die aanstaande zaterdag wordt onthuld Crasborn, praten nog altijd veel over de oorlog. Wim Leeuwenburgh zegt zich er zelden meer over uit te laten ('ik heb nooit het complete verhaal verteld') en ook voor Jan Willem Luger is het een afgesloten geschiedenis ('als ik in de afgelopen halve eeuw vier, vijf keer over het bombardement heb verteld is het veel').

Voor psychomotorisch therapeute Monique Smit die in 1944 vier jaar was, heeft het verleden nog een traumatische lading. “We woonden in de Memlingstraat, bijna op de hoek met de Euterpestraat. Op die zondag vielen plotseling de ruiten van de tuindeuren zonder enig geluid van een bominslag naar binnen. Iedereen huilde. Even later stond er een grote, geüniformeerde man, een hulpverlener in de gang. Hij tilde me op, zette me op zijn schouders en schreeuwde dat ik me goed moest vasthouden aan zijn helm. Toen hij het huis uitliep, zag ik vanuit de hoogte dat hij over een man stapte die op straat lag. Vanaf de wenkbrauwen zag ik geen hoofd meer.”

En Nanneke de Roy van Zuydewijn - van Gulden: “Mijn vader was geneesheer-directeur van het Wilhelmina Gasthuis. Hij zat diep in het verzet, we hadden onderduikers in huis en ik was twaalf en zat op het Barlaeus. Bij iedere uniform op de hoek van de straat, dacht ik: ze weten dat wij onderduikers hebben en ik word zo opgepakt”.

“Ik denk nog vaak aan de doodsangst van toen”, zegt Karen Niemöller. “Nachtmerries over de oorlog zijn me jarenlang blijven achtervolgen. Ze gingen altijd over angst voor Duitse soldaten en over niet kunnen vluchten”. Toen haar dochter onlangs vroeg 'Heette de Gerrit van der Veenstraat vroeger Euterpestraat?', heeft zij voor het eerst over vroeger kunnen praten. “Eerst met mijn dochter, daarna met degeen met wie ik jarenlang lief en leed gedeeld en twee kinderen gemeen heb en tenslotte aan mijn moeder. Het heeft er bovendien toe geleid dat mijn moeder op haar beurt voor het eerst, zij het aarzelend, iets vertelde over haar joodse hartsvriendin die in de oorlog is gedeporteerd en omgekomen.”