Honderdjarige ANDB werd een lichtend voorbeeld in de vakbondsgeschiedenis; Diamanten voor het volk

Deze week een eeuw geleden gingen plotseling de Amsterdamse diamantbewerkers in staking. Enkele dagen later werd de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB) opgericht, die toonaangevend werd in de strijd om betere arbeidsvoorwaarden. Als eersten kregen de veelal joodse diamantbewerkers een week vakantie en een tienurige werkdag.

Op woensdag 7 november 1894 vond in Amsterdam een gebeurtenis plaats die een keerpunt zou blijken te zijn in de ontwikkeling van de Nederlandse arbeidersklasse. De ongeveer achtduizend Amsterdamse diamantbewerkers gingen plotseling in staking en dwongen nog diezelfde week hun volledig overrompelde werkgevers de arbeidsvoorwaarden aanzienlijk te verbeteren. Het stakingscomité, dat door de socialisten Jan van Zutphen en Henri Polak werd geleid, smeedde het ijzer terwijl het heet was en richtten meteen op 18 november een vakbond op, de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB), die onder de bekwame leiding van Henri Polak een lichtend voorbeeld zou worden.

De diamantbewerking is van oudsher sterk met de kapitalistische economie en levensstijl verweven. Het was dan ook verbazingwekkend dat juist in deze industrie, arbeiders het spits afbeten in een door uitgesproken socialisten geleide strijd voor betere arbeidsomstandigheden. Het is minstens zo wonderbaarlijk, dat honderd jaar geleden àlle Amsterdamse diamantbewerkers het werk neerlegden en dat ongeveer zeventig procent zich meteen bij de nieuwe vakbond aansloot. Vóór het uitbreken van de grote staking waren de tegenstellingen tussen de diverse categorieën diamantbewerkers namelijk zo groot, dat niemand op korte termijn een gemeenschappelijk optreden zou hebben verwacht.

Een van de voornaamste tegenstellingen was die tussen de christelijke en joodse beoefenaren van het vak. Tijdens de Republiek ontstond in Amsterdam een joods proletariaat dat in meerderheid van de bedeling leefde. Het stadsbestuur stond toe dat joodse asielzoekers uit Oost- en Zuid-Europa zich er vrij vestigden, maar het was ze verboden tot bestaande ambachtsgilden toe te treden. Wel mochten joden werken in branches die zij zelf in Amsterdam hadden geïntroduceerd, zoals de diamanthandel en -industrie. Tot 1870 veranderde er nauwelijks iets in het levenspatroon van het Amsterdams joodse proletariaat. Maar toen werden in Zuid-Afrika ongekend grote hoeveelheden ruwe diamant ontdekt. Tegelijkertijd nam in de Verenigde Staten de vraag naar geslepen sierdiamant sterk toe. Op het moment dat de eerste zendingen 'Zuidafrikaans ruw' Amsterdam bereikten, was deze stad vrijwel de enige ter wereld waar op grote schaal de grondstof werd bewerkt tot siervormen, zoals briljanten met 58 facetten. De vijfhonderd gespecialiseerde diamantbewerkers - vrijwel uitsluitend joden - profiteerden gedurende enige jaren van de zogenaamde 'Kaapse tijd' en verdienden fabelachtig hoge lonen.

Rond 1890 deed zich echter de omgekeerde ontwikkeling voor: het aanbod van diamantbewerkers overtrof nu de vraag. De lonen kelderden, mede door Cecil Rhodes' initiatief tot de vorming van kartels van Zuidafrikaanse ruwproducenten (De Beers) en van grote Londense ruwhandelaren (het Syndicaat). De combinatie De Beers-Syndicaat fixeerde de prijs van ruwe diamant op een hoog niveau en verkocht bovendien uitsluitend door henzelf samengestelde pakketten van stenen van diverse kwaliteit en grootte.

Liefdadigheid

Voor de weinig kapitaalkrachtige Amsterdamse juweliers betekende deze ontwikkeling een ramp. Zij moesten het ruw tegen een te hoge prijs inkopen en de geslepen diamant uit geldgebrek tegen een te lage prijs zo snel mogelijk verkopen. Alleen door stelselmatig de arbeidslonen te verlagen konden ze het hoofd boven water houden. Aanvankelijk lieten de joodse werklieden zich dit alles welgevallen, omdat ze als diamantbewerker nog altijd meer verdienden dan hun geloofsgenoten die op liefdadigheid of straathandel waren aangewezen. Velen onder hen beschouwden de christenen, die sinds de jaren tachtig in steeds groter getale bij het vak kwamen, als gevaarlijke concurrenten. Die christenen vonden emplooi in fabrieken in de Jordaan en de Pijp en bewerkten daar de allerkleinste en dus goedkoopste soorten ruwe diamant: de chips.

Hoe sterk de broodnijd van joodse diamantbewerkers was ten opzichte van de christen-nieuwkomers in het vak, bleek in april 1892. Toen trachtten enige socialistische diamantbewerkers, merendeels werkzaam voor de juwelier Andries van Wezel op de Prinsengracht, het papieren vakbondje NDV (Nederlandsch Diamantbewerkers Vereeniging) daadwerkelijk leven in te blazen. Het was geen toeval dat dit initiatief uitging van Van Wezels arbeiders. Hij was een progressief man, bewonderaar van Multatuli en vriend van talloze kunstenaars en intellectuelen.

De kleine NDV, waarvan bestuur en leden hoofdzakelijk uit joden bestond, kreeg in het jaar 1893 tijdens een ernstige crisis in de diamantnijverheid het vertrouwen van een groeiend aantal joodse vakgenoten. In diezelfde periode won de socialistische propagandaclub Het Centrum met zijn ludieke provocaties van openbare en kerkelijk gezagsdragers de sympathie van jonge joodse, op actie beluste arbeiders. Tekenend voor de veranderde stemming ten aanzien van het socialisme was het feit dat bij de viering van het éénjarig bestaan van Het Centrum in Plancius, tegenover Artis, het gebouw tot de nok gevuld was met in grote meerderheid joodse arbeiders. Zij juichten de socialistische voormannen Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Hubert van Kol luid toe na hun toespraken over 'Mozes als sociale wetgever' en 'De bevrijding van Israël'.

In het najaar van 1894 herstelde de markt zich en kwam er weer volop werk. De laagbetaalde christen-slijpers maakten als eersten van deze situatie gebruik door voor hoger loon te gaan staken. Woensdagochtend 7 november kwam deze beweging in een stroomversnelling. De chips-bewerkers in de Jordaan en de Pijp legden vrijwel allen het werk neer. Onder leiding van Jan van Zutphen wandelden zij vervolgens naar de jodenbuurt en de Plantage om de joodse collega's over te halen zich bij hen aan te sluiten.

Inderhaast werd een vergadering belegd in de Parkschouwburg op de Plantage Parklaan. Hoewel Henri Polak en andere NDV-bestuurders volkomen verrast waren door de plotselinge massale staking, deden zij direct uit naam van de NDV een dringend beroep op de solidariteit van de joodse vakgenoten. Hun gezag was inmiddels zo toegenomen, dat de meesten nog diezelfde dag het werk neerlegden, zelfs al voordat ze ook voor zichzelf looneisen konden stellen. Pas 's avonds stelde het in allerijl gevormde stakingscomité - waarin naast voorzitter Jan van Zutphen en secretaris Henri Polak, ook bestuurders van NDV en categorale diamantbewerkersbonden plaats namen - een lijstje samen met looneisen voor àlle categorieën diamantbewerkers.

De volgende ochtend verzamelden zich duizenden diamantbewerkers bij het Rijksmuseum. Daar werd hen een bijzonder document ter hand gesteld: een door Henri Polak, Jos Loopuit en Max Pam (grootvader van de gelijknamige journalist) in het holst van de nacht samengestelde extra-editie van het tweewekelijkse bondsblad De Diamantbewerker. Met vooruitziende blik merkte Henri Polak in zijn beschouwing op: “Slagen wij, dan hebben wij niet alleen onzen levensstandaard verhoogd, doch ook de fundamenten gelegd voor een vakorganisatie, die sterk en machtig worden zal, als geen tweede in Nederland.” Na deze bijeenkomst sloten ook de diamantbewerkers die het stakingsparool nog niet hadden opgevolgd, zich aan bij de stoet. De Telegraaf-verslaggever, getroffen door de ernst en zelfbeheersing der demonstranten, vergeleek hun stoet met 'een breede rivier die gevoed wordt vanuit een groot menschenmeer'. De volgende dagen gaven de werkgevers, bang dat de stakers hun kostbare steentjes zouden achterover drukken, vrijwel subiet toe aan alle eisen. Sommigen sloeg de schrik zo zeer om het hart, dat zij vrijwillig flinke sommen geld aan het stakingscomité schonken.

Door het spectaculaire succes van de staking waren de Amsterdamse diamantbewerkers het belang van georganiseerd optreden gaan inzien. De meesten sloten zich dan ook meteen aan bij het op 18 november opgerichte Hoofdcomité der gezamenlijke Diamantbewerkers-Vereenigingen, dat een paar maanden later zijn naam veranderde in Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond (ANDB). Vanaf de oprichting tot de komst van de Duitsers in 1940 zou voorzitter Henri Polak zijn bijzonder stempel drukken op deze unieke vakbond.

Typerend voor Polak en zijn collega's was bijvoorbeeld de manier waarop zij in het najaar van 1895 een ernstige crisis in de ANDB omtoverden tot een succesverhaal. Een poging van het bestuur om al te grote verschillen in beloning tussen joodse en christen-diamantbewerkers weg te werken, had er toe geleid dat op een bijeenkomst van briljantslijpersknechten men elkaar voor rotjood en frotte goj uitmaakte. Het bondsbestuur trad uit protest af, omdat het volgens Henri Polak niet kon dulden dat de ANDB “een broeinest van rassenhaat” werd. De dag daarop verzamelden duizenden hevig geschrokken diamantbewerkers zich op het J.D. Meyerplein. Het bestuur gaf gehoor aan hun dringend verzoek om aan te blijven, maar stelde wel voorwaarden. De leden moesten meteen actie voeren voor een verplicht bondslidmaatschap, voor onmiddellijke invoering van een tienurige werkdag en een schafttijd van twee uur. Verder eiste het bestuur ook nog regelmatige afdracht van een tamelijk hoge contributie. En het kreeg vrijwel volledig zijn zin.

Die contributie gebruikte de Bond onder andere voor het salariëren van zes dagelijke bestuurders, voor het vormen van een weerstandskas ter bekostiging van stakingen en uitsluitingen en voor het voeren van propaganda. Bovendien maakte de organisatie het lidmaatschap aantrekkelijk door materiële voorzieningen eraan te verbinden zoals uitkeringen bij ziekte en ongeval. Al in 1897 kon de ANDB zich permitteren om bouwmeester Hendrik Berlage op te dragen een Bondsgebouw te ontwerpen dat - aldus de wens van voorzitter Henri Polak - de leden een gevoel voor schoonheid zou bijbrengen. Het in 1900 geopende ANDB-gebouw, thans Vakbondsmuseum, werd het eerste bouwwerk waar Berlage zijn ideeën over gemeenschapskunst in samenwerking met beeldende kunstenaars zoals R. Roland Holst kon toepassen.

Idealisme

Geen vakbond bezat een zo efficiënte administratie als de ANDB. Als eerste arbeidersorganisatie in Nederland maakte de Bond bij het bepalen van haar koers gebruik van statistische gegevens. Na tien jaar hardnekkige strijd gaven de inmiddels stevig georganiseerde werkgevers er de voorkeur aan hun geschillen met de ANDB via overleg op te lossen. Die koerswijziging was het rechtstreekse gevolg van het feit dat zij in 1904 zelfs na vier maanden uitsluiting van de diamantbewerkers, er niet in waren geslaagd de Bond op de knieën te krijgen.

Die machtspositie van de ANDB leverde de leden hogere lonen op en spectaculaire verbeteringen van arbeidsvoorwaarden. Zo kregen de diamantbewerkers als eerste arbeiders in Nederland in 1910 een week vakantie. En het jaar daarop waren zij al weer de eersten in ons land wier werkdag tot acht uur werd verkort. De leiders van de ANDB beschouwden de materiële welvaart van hun leden in eerste instantie slechts als een onderdeel van het verheven doel. Ze moesten worden opgevoed tot klassebewuste, sociaal voelende arbeiders met belangstelling voor kunst en wetenschap.

Rond de eeuwwisseling bestonden leiding en aanhang van de Amsterdamse afdeling van de SDAP grotendeels uit ANDB-leden. Het ontstaan van het NVV, de eerste moderne Nederlandse vakbondscentrale was in de eerste plaats te danken aan het jarenlang ageren van ANDB-voorzitter Polak. De ANDB speelde in 1910 een belangrijke rol hij de oprichting van de Centrale Commissie voor Arbeidersontwikkeling, de voorloper van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling. Het Diamantbewerkers Koperen Stelenfonds legde in 1919 de basis voor het sanatorium Zonnestraal in het Gooi, dat een ommekeer bracht in de behandeling van tuberculose-patienten. Eveneens in 1919, het jaar waarin de Bond op luisterrijke wijze haar 25-jarig bestaan vierde, besloten enige ANDB-leden, onder wie de vakbondsbestuurder, literator en componist Andries de Rosa en de hier al eerder genoemde Max Pam, een vereniging op te richten die het arbeiders mogelijk moest maken zich tegen een schappelijke prijs te laten cremeren. De oprichters van de dit jaar jubilerende AVVL beschouwden hun initiatief als een daad van grote culturele betekenis.