Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politie, recht en criminaliteit

Teams contra syndicaten

Bart Middelburg en Kurt van Es: Operatie Delta. Hoe de drugsmafia het IRT opblies 209 blz., Veen 1994, ƒ 29,90

De IRT-affaire heeft Nederland veel aardigs opgeleverd. We hebben kunnen zien hoe hoofdcommissarissen als jonge honden over straat kunnen rollen. We hebben een hoofdcommissaris zijn procureur-generaal horen dreigen 'hem publiekelijk door te trekken'. Twee ministers hebben we, elkaar dolksteken toebrengend, zien opstappen. En thans heeft de affaire een boek gebaard: Operatie Delta van Parooljournalisten Bart Middelburg en Kurt van Es. De ondertitel is: Hoe de drugsmafia het IRT opblies'.

Het Interregionaal Recherche Team Noord Holland/Utrecht werd eind jaren tachtig opgericht. In de luwte van het opsporingsbeleid was de softdrugshandel tot grote bloei gekomen. Een deel van de winsten werd door de hasj- en XTC-baronnen met succes gebruikt om overheidspersoneel tot allerlei vormen van medewerking over te halen. Zo succesvol was deze medewerking dat de politie een geheel nieuw wapen nodig had in de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Een onomkoopbaar team. Dat werd het IRT. Het IRT werd door veel politiemensen gezien als het bewijs dat 'de bazen' geen vertrouwen meer hadden in de gewone dienders. Middelburg en Van Es wijten de ondergang van het IRT voor een deel aan het wederzijds wantrouwen tussen leden van het 'superteam' en collega's van andere korpsen, met name die in Amsterdam. Van een uitwisseling van informatie was nagenoeg geen sprake.

De déconfiture van het IRT tekende zich al af in juni 1991. Toen werd Klaas Bruinsma vermoord. Bruinsma was de leider van een van de belangrijkste drugssyndicaten van Nederland. Het IRT dat speciaal op hem had 'gerechercheerd', had geen bewijzen kunnen verzamelen om Bruinsma voor het gerecht te dagen. De vraag werd in de media gesteld wat het IRT tijdens zijn bestaan dan wel had weten te bewerkstelligen.

Bij de berechting van de vermoedelijke moordenaar van Bruinsma, de oud-politieman Martin H., speelde het IRT geen rol van betekenis. Prominent was het IRT echter aanwezig tijdens het XTC-proces. Met veel fanfare was in januari 1992 de ontmanteling gepresenteerd van de tot dan toe meest produktieve XTC-bende. Spoedig bleek dat het team de nodige steekjes had laten vallen. Kopstukken waren over het hoofd gezien en ondanks de 'innovatieve' inzet van 'forensische accountants' werd het zogenoemde 'financiële brein' na een weekend cel al vrijgelaten. Maar al met al gaf dit 'Extase-onderzoek' toch het voor het IRT bevredigende eindresultaat van vele jaren celstraf en hoge boetes voor de hoofdverdachten .

Geruis

Toen het XTC-proces voor het hof diende was de afbraak van het IRT al een feit. Formeel was het IRT opgeheven wegens 'een omstreden opsporingsmethode'. Even leek het alsof tijdens het XTC-proces deze uitermate geheime methode openbaar zou worden gemaakt. De chef van het team, B. van Baarle, had als getuige in een andere zaak tot driemaal toe verklaard dat de omstreden methode ook was toegepast in het Extase-onderzoek. Een band echter waarop de verklaring van Van Baarle was vastgelegd liet een ademloos luisterende zaal slechts geruis horen. De ondervraging voor het hof van de commissaris werd door een bommelding afgebroken. Dagen later liet ook Van Baarle slechts geruis horen.

We weten niet waarop Van Baarle aanvankelijk kan hebben gedoeld. Maar misschien bedoelde hij dat tijdens het Extase-onderzoek transporten, naar het Verenigd Koninkrijk met grote ladingen chemische drugs, ongemoeid zijn gelaten. Dat is volgens Middelburg en Van Es tijdens het 'Delta-onderzoek' namelijk op grote schaal gebeurd. Grote hoeveelheden softdrugs als weed en XTC zouden uit Nederland zijn geëxporteerd, zonder dat Justitie ingreep. Tussen de twintig- en dertigduizend kilo Colombiaanse weed zou voorts met medeweten van Justitie op de markt zijn gebracht en daar vervolgens 'verdwenen'. Middelburg en Van Es zeggen het Justitie woordvoerder voor de PvdA Stoffelen na. De Amsterdamse officier van justitie M. van Capelle bevestigt het.

Het Delta-onderzoek is volgens de schrijvers genoemd naar het driemanschap dat aan het hoofd van een drugssyndicaat zou staan. Deze top bestaat uit: Etienne Urka, 'een zakenman' en 'een advocaat'. Justitie heeft om de top te pakken te krijgen, zo schrijven Middelburg en Van Es, een 'expediteur uit Haarlem' in de bende laten infiltreren. De expediteur importeerde voor de bende tonnen weed. Hij moest uiteindelijk Justitie in direct contact brengen met de top. Maar, zo moeten de IRTers gaandeweg constateren, de expediteur blijft alleen maar zaken doen met het 'middenkader' van de organisatie. Goede zaken, dat wel. Wanneer uitkomt hoeveel weed Nederland is binnengebracht en hoeveel geld daarmee is gemoeid klapt het IRT ineen.

Middelburg en Van Es reconstrueren met een veelheid aan details en gevoel voor dramatiek de stuiptrekkingen van het IRT. De grote verdienste van Middelburg en Van Es is dat zij laten zien hoe een politiedienst in tomeloze scoringsdrift en niet geremd door verantwoordelijke officieren van justitie, steeds verder kan gaan in het verschuiven van de grenzen van het opsporingsonderzoek.

In de reconstructie van de teloorgang van het IRT komen echter ook de zwakke plekken van het boek aan het licht. Die zwakke plekken wijzen ons op het algemene probleem van kenniswerving en waarheidsvinding in de wereld van de criminaliteit. Iedereen in het criminele veld, criminelen, politie, advocatuur en openbaar ministerie, heeft er belang bij slechts een deel van de waarheid het licht te laten zien. In 'Operatie Delta' klinkt wel erg luid de stem door van het Amsterdamse korps.

Driehoek

Die eenzijdigheid is nog tot daar aan toe, maar wat Operatie Delta per definitie onwetenschappelijk, en zelfs onjournalistiek maakt, is het gebrek aan bronvermelding. Een feit wordt pas een feit wanneer je weet wie het als zodanig heeft benoemd. Wanneer een crimineel zegt: de politie heeft mij onder bedreiging een valse bekentenis laten opstellen, dan is dat op zichzelf niet meer dan een verklaring. Wanneer de politie vervolgens zegt: die man is door criminelen bedreigd en is zo bang dat hij er alles aan doet om zijn bekentenissen terug te draaien, dan is dat weliswaar ook maar een verklaring, maar wel een die de eerste relativeert.

Middelburg en Van Es weten de weergave van hun waarheid niet te relativeren. In zijn vorige boek De Dominee over Klaas Bruinsma liet Middelburg zich meeslepen door een criminele informant. Iemand die zogenaamd schoon schip wilde maken, maar die nu nog net zo crimineel is als vroeger. Deze bron werd in De Dominee alle ruimte gegeven omdat hij bevestigde wat Middelburg wilde horen: de erfenis van Bruinsma wordt beheerd door de voormalige lijfwacht van Bruinsma, Etienne Urka, de Amsterdamse advocaat Engelsma en de pornografiehandelaar Geerts. Na felle juridische gevechten richten Middelburg en Van Es hun pijlen op 'een zakenman' en 'een advocaat' en op de crimineel (want veroordeeld geweest), Etienne Urka. We mogen raden naar de identiteit van de zakenman en de advocaat. De auteurs twijfelen er echter niet aan dát er een crimineel driemanschap bestaat.

Maar wie zegt dat de hypothese van het IRT een juiste was? De criminele driehoek kwam ondanks alle inspanningen niet in zicht. Er werden slechts zaken gedaan met 'het middenkader' van de organisatie. Zou dit middenkader misschien niet 'de organisatie' kunnen zijn? Zou het niet kunnen dat Justitie bezeten is van het idee dat er een hechte criminele organisatie was, met triumviraat aan het hoofd. Weet Justitie überhaupt wel hoe 'een criminele organisatie' werkt?

Middelburg en Van Es kritiseren de IRT-methode om criminelen 'achterover te trekken', zoals de politie dat noemt. Met instemming wordt de Amsterdamse advocaat Cees Korvinus (kantoorgenoot van Engelsma nota bene) aangehaald. Volgens Korvinus werd een cliënt van hem ten onrechte voor de smokkel van achtentwintighonderd kilo hasj afgeschilderd als een grote crimineel, 'terwijl de overheid zelf vele tonnen binnenbracht'. Een vraag die de schrijvers daarbij verzuimen te stellen is: wat is er met al het geld gebeurd? Zou er ook drugsgeld bij IRT-medewerkers terecht kunnen zijn gekomen?

De man overigens die Nederland met vele tonnen softdrugs bediende, officier van justitie M. van Capelle, is weggepromoveerd naar het hoge Noorden. Vlak voor hij wegging heeft hij nog een oekaze inzake de hasjcoffeeshops uit laten gaan. Ook voor handelaren moest de regel gehandhaafd blijven dat zij niet meer dan 30 gram handelsvoorraad in hun winkel mochten hebben.