Dit is een artikel uit het NRC-archief
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Minister Dijkstal houdt niet van voorlezen

Minister Dijkstal (VVD) verdedigde gisteren in de Tweede Kamer de begroting van binnenlandse zaken. „Een minister moet niet al te krampachtig doen als de zaken in de Kamer niet helemaal naar wens gaan." Door onze redacteur ROB SCHOOF den haag, 27 okt. Een stortvloed van woorden galmt door de grote vergaderzaal van de Tweede Kamer als minister Dijkstal van binnenlandse zaken eenmaal goed op gang is gekomen. Een Kamerlid op weg naar de interruptiemicrofoon moet even de pas versnellen, want de bewindsman draaft in hoog tempo door, zin na zin. Echte verschillen met vijf maanden geleden, toen H.F. Dijkstal nog Tweede-Kamerlid was, zijn er niet. Hier en daar een kwinkslag, een schaterlach en veel gebarentaal. Hij is een politicus die niet van voorlezen houdt. Hulp van zijn ambtenaren — die hem tijdens de debatten via een klein scherm op de ministerstafel voortdurend kunnen bijstaan — heeft hij niet nodig. Het licht cynische in zijn redeneringen, dat hij als Kamerlid al als wapen hanteerde, is ook in zijn nieuwe rol aanwezig. De traditionele woorden van waardering voor het werk van de ambtsvoorganger, in dit geval Van Thijn, krijgen nog een korte toevoeging: „Op één puntje na, misschien." De IRT-affaire, de ondergang van het rechercheteam en de daaropvolgende ruzies tussen de toenmalige politieministers Hirsch Ballin en Van Thijn, hielden het Kamerlid Dijkstal lange tijd bezig. Uiteindelijk, na twee marathondebatten kreeg hij zijn

politieke zin: de „onverkwikkelijke" IRT-zaak leidde, door moties van Dijkstal en zijn medestander J. Kohnstamm (D66), tot de val van beide ministers en tot een onderzoek door de commissie-Van Traa naar de opsporingsmethoden. Dijkstal ageerde fel tegen het werk van de politie: niet alleen de IRT-affaire, ook het feit dat een miljardeninjectie in het politie-apparaat niet leidde tot een personele versterking. Inmiddels is Dijkstal zelf verantwoordelijk voor het beheer over de korpsen. Eén van zijn eerste daden was het publiekelijk begraven van de strijdbijl tussen zijn eigen departement en het aanpalende Justitie. Dat die geste hem menens was bleek bij zijn eerste Kameroptreden als minister, op 6 september, toen hij het

voortouw nam in een debat over een lastig onderwerp waarvoor hij en zijn collega Sorgdrager (justitie) naar het Binnenhof waren geroepen: de IRT-affaire, althans, een nasleep daarvan. De Amsterdamse korpschef Nordholt had na maanden van stilzwijgen zijn mening over de zaak gegeven. Procureur-generaal Van Randwijck nam hem dat niet in dank af. Dijkstal moest het plotseling opnemen voor de hoofdstedelijke politie- en justitietop. „Voorzitter, ik ben er de Kamer erkentelijk voor dat ik nu al hier mag komen", aldus begon hij zijn ministeriele optreden in de Kamer. En de eerste lachers had hij alweer op zijn hand. Er waait een nieuwe wind op het departement van binnenlandse zaken aan de Haagse Schedeldoekshaven.

Bij ambtsvoorgangers als Van Thijn, Dales, Van Dijk en Rietkerk steekt Dijkstal (51) schril af door zijn open, directe omgang met ambtenaren, parlementariërs en de pers. De oud-wethouder van Wassenaar, voormalig zakenman en amateursaxofonist, heeft het departement met zijn komst een stuk 'gezelliger' gemaakt, al houden ambtenaren van Binnenlandse Zaken af en toe hun hart vast. Dijkstal verwierf faam in de Tweede Kamer onder meer door zijn provocerende uitspraken en zijn theatrale manier van debatteren; een minister, zeker de vice-premier, kiest zijn woorden zorgvuldiger. Dat hij echt van mening is dat Nederland beter uit de Europese Unie kan stappen als het Europese parlement niet méér zeggenschap

krijgt — zoals hij zich in september in Berlijn terloops liet ontvallen toen er werd gesproken over Europol — daar gelooft politiek Den Haag niet in. Erg lastig kreeg Dijkstal het deze week niet bij de behandeling van zijn begroting. Veel werk heeft hij uitbesteed aan zijn staatssecretarissen Van de Vondervoort (PvdA), verantwoordelijk voor onder meer de provincies en de gemeenten, en Kohnstamm, die zich vooral op de grote steden zal richten. Dijkstal beheert onder andere de portefeuilles bestuurlijke vernieuwing, de ambtenaren en de politie. De meest prangende vragen van de zijde van de Kamer verwijst de bewindsman met een verontschuldiging door naar „het algemeen overleg dat hierover nog zal volgen" of naar „de conclusies waarmee wij in het voorjaar van 1995 iwar buiten komen. Ik vraag de Kamer om enig geduld en consideratie." Die krijgt hij, want er volgen relatief weinig interrupties; de échte debatten moeten nog komen. Dijkstal zal zich daarin niet verschuilen, zo heeft hij de afgelopen weken uitvoerig laten weten. Voor hem staat het „primaat van de politiek" centraal. Een minister moet zijn verantwoordelijkheid nemen, zoals hij in het verleden een en andermaal bewindslieden als Hirsch Ballin en Van Thijn te verstaan heeft gegeven. Luchtigjes laat hij de parlementariërs weten dat hij de confrontatie niet zal schuwen: „Een minister moet niet al te krampachtig doen als de zaken in de Kamer niet helemaal naar wens gaan." En niet bang zijn om ook eens een discussie te verliezen, zei hij drie weken geleden.