Het nieuws van 22 oktober 1994

Trouw in het huwelijk

Het onvolprezen Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) meet al sinds 1966 wat mensen het belangrijkste in hun leven vinden. Het aantal mensen (van 17 tot 70) dat een goede gezondheid op de eerste plaats stelt is sindsdien bijna verdubbeld. Maar het aantal mensen dat een 'goed huwelijk' als het hoogtepunt van zijn bestaan ziet is geslonken van een toch al miezerige 36 procent naar maar liefst 13 procent (in 1993). Tegelijkertijd gelooft ook nog maar 14 procent dat gehuwden gelukkiger zijn dan ongehuwden, terwijl in 1965 nog 60 procent die mening koesterde. En 54 procent vindt dat als er grote spanningen zijn in de echt, een echtscheiding de beste oplossing is, ook al zijn er kinderen in het spel, een mening die in 1965 nog maar door 12 procent van de betreffende categorie gekoesterd werd. In dit licht zijn de constateringen van allerlei wetenschappers begrijpelijk, dat het met de trouw in het huwelijk in het algemeen niet zo florissant gesteld is. Met name uit de Verenigde Staten is een vloed van cijfers overgekomen, die het ergste doet vermoeden. Kinsey had het over ontrouw bij de helft van de mannen en een kwart van de vrouwen. Het 'Hite Report' brandmerkte al 72 procent van de mannen en in een latere studie werd zelfs 70 procent van ALLE categorieën overspelig genoemd. Dat is onlangs een Amerikaans socioloog, tevens katholiek priester, in het verkeerde keelgat geschoten. In een sociologisch tijdschrift fulmineert hij tegen de wetenschappelijke onderzoeksmethoden, vooral toegepast in feministische kring, vaak met het doel een onheilspellend beeld van de huwelijkssituatie te schetsen. Het enige goede onderzoek dat hij kende, werd in 1991 gehouden door een universitair instituut in Chicago. En uit deze representatieve steekproef bleek dat van de mannen maar 21 procent vreemd ging, terwijl van de vrouwen 11 procent overspel bekende. Nu is een op de 4 tot 5 mannen ook nog een flink aantal, wanneer je je dat door de stad wandelend probeert voor te stellen. De analyse van de in Chicago verzamelde cijfers richt zich echter vooral op de ontrouw bij vrouwen. Daarbij blijkt dat vrouwen boven de vijftig een ontrouwpercentage van 5 procent kennen, maar dat dit percentage bij vrouwen onder de vijftig oploopt naar 15. En terwijl bij mannen het vreemdgaan toeneemt met het vorderen van de leeftijd en de duur van het huwelijk, is het bij vrouwen een gedrag dat zich vroeg manifesteert en gedurende de echt constant blijft. Wanneer het materiaal nog verder wordt uitgeplozen, blijken de verschillen tussen mannen en vrouwen vooral terug te voeren te zijn op het feit dat een groot deel van de vrouwen niet werkzaam is buiten de deur. Bij mannen en werkende vrouwen valt een duidelijke correlatie vast te stellen tussen een geringe tevredenheid met de gezinssituatie en echtelijke ontrouw. En gezien het feit dat alle vrouwen negatiever tegenover deze ontrouw staan dan mannen, moet de ontrouw bij werkende vrouwen, volgens de onderzoeker in kwestie, wel geweten worden aan de alternatieve partners die kennelijk beschikbaar zijn in de arbeidssituatie. Wanneer vanuit dit Amerikaanse beeld teruggekeken wordt naar de situatie in Nederland, dan meldt het SCP dat de elkaar opvolgende naoorlogse generaties zich voortdurend progressiever zijn gaan opstellen en daarbij ook steeds minder romantische gedachten zijn gaan koesteren over het huwelijk. En wanneer wordt vastgesteld dat de arbeidsparticipatie van vrouwen van 26,2 procent in 1960 is toegenomen tot 47 procent in 1993, dan heeft dus bijna 50 procent meer vrouwen uitzicht gekregen op alternatieve partners in de werksituatie. En de voorspellingen van onze planbureaus zijn dat in de nabije toekomst steeds meer vrouwen de arbeidsmarkt zullen betreden, dus dat kan op het huwelijksfront nog een heel onrustige tijd worden. Wanneer die Amerikaanse socioloog gelijk heeft natuurlijk.