Iets zachts en roods is een roos; Vijfentwintig jaar na de Aktie Tomaat

Op 9 oktober 1969 ontploften de eerste rode projectielen op het toneel van de Amsterdamse Stadsschouwburg, het begin van de Aktie Tomaat. Pieter Kottman over de vraag of het keetschopperij was van een stel verveelde studenten of een definitieve omwenteling in de toneelwereld. Actrice Elisabeth Andersen, die de actie van dichtbij meemaakte, schrijft: “De doorlopende stroom van vernieuwing, die uit zichzelf voortvloeit is door de actie Tomaat een halt toegeroepen en veel kostbaars is vernield.”

Tomaat in perspectief, Theatervernieuwing in de jaren '60 en '70. Uitg. Theater Instituut Nederland. ƒ 29,50

Tomaat in Perspectief. Theatervernieuwing in de jaren '60 en '70. T/m 27 feb. in het Theater Instituut, Heregracht 168, Amsterdam, di t/m zo 11-17u.

Aktie Tomaat - de opstand tegen het gevestigde toneel - barstte los in 1969 en woedde vier maanden. De acteur Bentz van den Berg stierf in 1976, ten gevolge van een bloedvergiftiging. In 1970 had hij, de onttroonde leider van de Nederlandse Comedie, enkele maanden overspannen thuis gezeten. Het door vele bronnen bevestigde gerucht wilde dat hij zich onledig hield met legpuzzels, zwijgzaam en introvert. Na de opheffing van zijn gezelschap in 1971 trad hij toe tot Toneelgroep Centrum, van Peter Oosthoek. Daar regisseerde hij en speelde hij nog enkele imposante rollen, onder meer in George Tabori's De kannibalen. In 1975 maakte hij zijn filmdebuut in Erik van Zuylens De laatste trein. Op vakantie in Friesland, een jaar later, kwam er vuil in een wondje aan zijn hand. Hij raakte, wat soms gebeurt bij bloedvergiftiging, in een shocktoestand die hem fataal werd.

Hij had het revolutietje van zes jaar eerder geen betere dienst kunnen bewijzen. Wat is immers een volksopstand zonder doden? Nog altijd wordt beweerd - door wie er maar belang bij heeft - dat Han Bentz van den Berg, een van de grootste acteurs die ons land ooit voortbracht, gedood werd door een tomaat. Dat is niet zo. Maar mythes varen wel bij pakkende beeldspraken en deze is wel een heel fraaie. Romantisch en fataal, overdrachtelijk en toch concreet, poëtisch en tegelijkertijd realistisch: gedood door een tomaat. Op 9 oktober 1969 ontploften de eerste rode projectielen op het toneel van de Amsterdamse Stadsschouwburg, tijdens het applaus voor de door Bentz geënsceneerde Shakespeare De Storm. Willem Nijholt, die Ariël speelde, kreeg er een tegen zijn schouder. Hij dacht dat het een roos was.

Discussie!

Aktie Tomaat biedt minder stof voor theaterwetenschappers dan voor sociologen, politicologen en historici. Die kunnen de beweging, tezamen met die van de Notenkrakers in de muziek en die van de bezetters van de Nachtwacht-zaal, in de tijd plaatsen en er hun analyses van in de jaren zestig ontstaan gedachtengoed mee kleuren. Verandering, zal de conclusie ongeveer luiden, - verandering was het doel, verandering van wat dan ook. Onder het wegdek lag immers het strand.

“Licht aan! Discussie!” werd er geroepen tijdens de inmiddels ook al legendarische verstoring van Toller, een voorstelling door de Nederlandse Comedie, op 15 december 1969. “Ik zou u iets willen vragen,” sprak de radencommunist en bouwvakker Gerard van den Berg even daarvoor in de duisternis van de zaal luid en duidelijk tegen Han Bentz van den Berg die, alleen op toneel, net bezig was aan een monoloog van zijn personage, letterenprofessor Landauer, eveneens radencommunist. Bentz stamelde wat, maakte een hulpeloos gebaar en ging, terwijl het brandscherm zakte, af. Vele malen is beschreven hoe: met hangende schouders, kapotgemaakt, verslagen.

Ook van die gebeurtenis zijn beelden in omloop. Het was alsof de voetballer de bal wordt afgepakt of de schrijver de pen uit handen wordt geslagen. Zo was het natuurlijk ook.

En erger. Een illusie scheppen is de kern van wat een acteur op het toneel staat te doen. Aangesproken worden op de werkelijkheid buiten die illusie is op zo'n moment inderdaad - de metafoor is ontegenzeggelijk binnen handbereik - moord. Er is betoogd, dat de reactie van Bentz tekenend was voor zijn wereldvreemdheid en voor de ivoren toren waarin het toneel en de Nederlandse Comedie in het bijzonder zich verschansten. Net als Nijholts veronderstelling gelauwerd te worden terwijl hij juist een tomaat naar zijn hoofd kreeg, uitgelegd is als een teken van blinde ijdelheid.

Maar het gaat hier niet om Nijholts ijdelheid. Volstaan kan worden met de simpele erkenning dat, in het theater, iets zachts en roods uit de lucht in de eeuwen voor de 9de oktober 1969 altijd een bloem is geweest. En Bentz en zijn gezelschap mogen zich weinig aan de wereld buiten de schouwburg gelegen hebben laten liggen, zijn gestamel levert daarvoor niet het bewijs. Wie dat zeker wil weten, moet de proef maar eens op de som nemen en nu op precies dezelfde wijze een voorstelling van Toneelgroep Amsterdam verstoren. Misschien, heel misschien is de reactie van de eenzaam op het toneel staande Pierre Bokma iets assertiever, maar zijn personage Richard III zal dat moment met de dood bekopen. Hoe dan ook.

Ouderwets

Ter gelegenheid van het feit dat Aktie Tomaat deze maand vijfentwintig jaar geleden begon, heeft het Theater Instituut Nederland het boek Tomaat in perspectief, Theatervernieuwing in de jaren '60 en '70 uitgebracht. Het eerste exemplaar werd deze week overhandigd aan de 74-jarige actrice Elisabeth Andersen, werkzaam bij de Nederlandse Comedie toen de eerste tomaten gegooid werden. Andersen is niet voor niets uitgenodigd. Zij is een voorbeeld van een 'ouderwetse' actrice, die bereid was zich te 'vernieuwen' en in de jaren zeventig en tachtig deel uitmaakte van het destijds spraakmakende Zuidelijk Toneel Globe.

Het boek dat zij in ontvangst nam, is een bundel artikelen van auteurs die voor het merendeel nog steeds betrokken zijn bij het theater en de tijd van 'Tomaat' in meer of mindere mate hebben meegemaakt. Het is een verhelderend geheel, vooral door de bijdragen waarin gedetailleerd verslag wordt gedaan van de gebeurtenissen en die waarin de situatie vóór Tomaat wordt beschreven. Van het laatste is het artikel Apostelen en tovenaars van Paul Blom, wetenschappelijk medewerker van het Theater Instituut, een voorbeeld. Hij beschrijft uitvoerig de golfbeweging, vanaf de oorlog, waaraan de voorkeur voor een bepaald soort theater onderhevig was.

Comedia, dat in 1949 herdoopt werd tot Nederlandse Comedie, gold als een toonaangevend gezelschap. Het bracht eigentijds repertoire, van Tennessee Williams, Arthur Miller en later van Sartre, Ionesco, Brecht en Albee, en het kon bogen op een keur van jonge sterren als Ellen Vogel, Mimi Boesnach, Ank van der Moer, Han Bentz van den Berg, Mary Dresselhuys, Lous Hensen, Elisabeth Andersen en Ton Lutz. De speelstijl was volgens Blom 'licht', 'genuanceerd' en 'intellectueel', geheel anders dan het in zware expressionistische traditie spelende Amsterdams Toneel Gezelschap dat de Stadsschouwburg bespeelde en onder leiding van Albert van Dalsum en Auguste Defresne in de eerste plaats een overtuiging wilde uitdragen.

ATG werd in 1953 opgedoekt, waarna de Nederlandse Comedie de Amsterdamse schouwburg ging bespelen. Het bracht verfijnd l'art pour l'art-toneel en trok daarmee volle zalen. Maar uitgerekend dat wat het lange tijd geliefd maakte, zou het gezelschap fataal worden. Stef Heinink beschrijft in zijn bijdrage Licht aan! Discussie hoe Aktie Tomaat tijdens een voorstelling van De Storm begon als keetschopperij van Lien Heyting en Ernst Katz, tweedejaars studenten aan de Toneelschool, en binnen de kortste keren uitgroeide tot een politieke beweging waarbij veel activistische fellow-travellers zich aansloten.

Heyting en Katz gooiden hun tomaten, omdat ze zich verveelden en omdat, zoals Heyting in 1992 in een artikel in De Gids schreef, 'de opwinding van de scholier die zojuist de stoel van de leraar met boter heeft ingesmeerd' zich van hen meester had gemaakt. Maar al snel werden de acties gemotiveerd met het gebrek aan maatschappelijk engagement dat de Nederlandse Comedie tentoonspreidde. Niet alleen keerde men zich tegen het 'saaie burgermanstoneel' maar ook, zoals enkele Tomatisten in 1970 schreven, tegen 'de structuren waar toneelgezelschappen als kapitalistische bedrijven op rusten'.

Folkloristisch

Het is in 1994 vooral een folkloristisch genoegen de formules van de activisten van destijds nog eens na te lezen: op de tentoonstelling over Aktie Tomaat die Het Theater Instituut heeft georganiseerd, kan men een dik 'documentair verslag' inzien, dat alle krantestukken over de Aktie bevat. Het is leerzame stof, en niet alleen omdat het vaderlandse toneel na 1970 inderdaad zo gevarieerd werd. Die variatie, betogen velen met evenveel recht als degenen die het tegendeel beweren, was toch wel ontstaan.

Wat wel redelijk objectief kan worden vastgesteld is dat we, tweeënhalf decennium later, alweer minstens twee golven van het perpetuum mobile achter de rug hebben. Het politieke activisme van Sater en Proloog is al lang van het toneel verdwenen, Het Publiekstheater is vervangen door Toneelgroep Amsterdam, het in vervreemdende stijl spelende Maatschappij Discordia loopt op de laatste benen en in het algemeen zullen theatermakers - het is te voorspellen - onder invloed van De Trust, het meest succesvolle gezelschap van dit moment, weer van de esthetische vorm naar de inhoudszwangere vent neigen.

Maar niet alleen de ter gelegenheid van de Tomaat-verjaardag zo uitvoerig beschreven voorbije en heersende modes verschaffen relativerend inzicht. Opvallend is hoezeer de Tomatisten benadrukten dat de bezoekcijfers van het toneel in de jaren zestig dramatisch terugliepen. Toneel was elite-kunst. Toen Han Bentz van den Berg op 1 november 1969 op een afgedwongen en druk bezocht debat in de Stadsschouwburg de criteria die het artistieke beleid van zijn gezelschap bepaalden, opsomde - “Wat spelen we; waarom spelen we het; hoe spelen we het - verrees toen-nog-Castro-aanhanger Harry Mulisch uit zijn stoel en voegde er aan onder luid gejuich aan toe: “En voor wie spelen we het.”

De revolutionairen van destijds hanteerden het argument van de reactionaren van vandaag. Als er sinds Tomaat - en gezien hun gescherm met publiekscijfers misschien wel ondanks Tomaat - iets veranderd is, dan is het de discussie over publieksbereik. Grofweg twintig jaar lang is de vraag naar de maatschappelijke weerklank die een gezelschap heeft, niet dan wel zwakjes gesteld. Volle zalen zijn niet per se een bewijs voor kwaliteit. Pas met ingang van het huidige Kunstenplan, twee jaar geleden, werd voor het eerst serieus en met de introductie van striktere subsidievoorwaarden een direct verband gelegd tussen publiekstoeloop en kwaliteit. Dat is geen hoopvolle ontwikkeling. Maar voor de optimist toont de geschiedenis sinds Tomaat aan dat het er een kan zijn die morgen door een tegengestelde vervangen wordt.