Het recht op bewondering; Liesbeth List, slachtoffer van de schroom voor het Nederlandse lied

Het Nederlands lied is gevaarlijk terrein: een Nederlandse zanger goed vinden, dat brengt risico's met zich mee. Liesbeth List is hiervan het slachtoffer. Ze zou elk jaar een cd moeten maken en om het jaar een Edison moeten krijgen. In werkelijkheid verscheen onlangs haar eerste plaat sinds veertien jaar.

Liesbeth List: idem. Sony Music, 477649 2. Op 20 november treedt Liesbeth List samen met Ramses Shaffy op in het Concertgebouw.

Het Nederlandse lied is als de Nederlandse film: soms lijkt het ergens op, maar niemand gelooft dat het ooit wat wordt. Wat ontbreekt is vanzelfsprekendheid. Zingen in het Nederlands is altijd de uitzondering, nooit de regel. Net als bij de film lijkt populair succes alleen weggelegd voor de Dick Maasen van de nederpop; de hitparade wordt sinds jaar en dag bevolkt door zingende Ma Flodders, die wild om zich heen slaan met het Nederlandse rijmwoordenboek. De zanger of zangeres die iets hoger mikt dan Dikke lul (van de Dikke Lul Band, deze week op 3 in de Megatop 100), wordt vanzelf een vertegenwoordiger van de Goede Zaak. Of hij nu wil of niet, zo'n zanger pleegt onwillekeurig een daad van verzet, doet een duit in het zakje van het betere Nederlandse lied. Dat lijkt mooi, maar werkt averechts; het lied dat in het Nederlands wordt gezongen blijft zo een kasplantje, beverig en onvolgroeid, iets dat beschermd en gekieteld en aangemoedigd moet worden en dus - zo gaat dat - nooit vanzelf spreekt.

Van dat akelige zelfbewustzijn hebben ook veel luisteraars last. Nooit kom ik eens ergens op bezoek waar zomaar een Nederlands lied klinkt, zonder uitleg of verontschuldiging of ironisch commentaar. Een kennis van mij bekende onlangs beschroomd Zeg me dat het niet zo is van Frank Boeyen een mooi liedje te vinden; hij moest er van hemzelf wel meteen bijzeggen dat hij geen cd van hem in huis had. Een Nederlandse zanger goed vinden, dat brengt risico's met zich mee.

Ik weet niet wie ooit bedacht heeft dat popmuziek democratisch zou zijn. Geen kunst is zo doortrokken van snobisme en op geen enkel ander gebied kun je je sociaal zo sterk profileren als met je smaak. Het Nederlandse lied is gevaarlijk terrein; met rock 'n roll heeft het niets te maken, laat staan met avant-garde en je loopt al snel het gevaar dat iedere kromme zin of verkrampt poëtisch beeld jou persoonlijk wordt aangerekend. Zolang erom geglimlacht kan worden, zoals om het kindvrouwtje Willeke of het campvrouwtje Imca Marina, loopt niemand het gevaar zijn vingers te branden. Maar verder is het Nederlands lied een sociaal mijnenveld, waarin je maar beter niet kunt begeven.

Mooiste stem

Als die nationale schroom en gêne één slachtoffer heeft gemaakt is het wel Liesbeth List. Zij heeft nog altijd de mooiste stem van alle zangeressen die in het Nederlands zingen. Toch ligt tussen haar nieuwe cd, die ze onder de hoede van Frank Boeyen maakte, en haar vorige ruim veertien jaar. Veel gezongen heeft ze in die jaren niet, geloof ik; haar genre is het chanson en dat lijkt het afgelopen twee decennia een zachte dood gestorven, net als al het andere dat Frans was in Nederland. Haar naam roept daarom vooral associaties op met een verleden waarin het literaire lied nog vanzelf sprak: Shaffy Chantant, Amsterdam in de jaren zestig, Pastorale, Brel, de vertalingen van Ernst van Altena, Gréco, Theodorakis. In de jaren dat ik opgroeide, de jaren zeventig, was het allemaal al minder geworden; Liesbeth List kende ik toen vooral als de zangeres van de Hollandse kraker 'Kinderen een kwartje.'

Het is voor een zanger moeilijk om te concurreren met de nostalgie die aan zijn naam kleeft. List (1941) heeft het moeilijker dan de meesten. Ze is geen volkszanger zoals André Hazes, met een vast schare fans die haar trouw blijft wanneer populair succes uitblijft. Ze schrijft zelf geen teksten of muziek, is dus afhankelijk van anderen, wat zo nu en dan rampzalig heeft uitgepakt. En ze is een vrouw, die het zonder het aura van onverwoestbare bohémien moet stellen dat Ramses Shaffy in staat heeft gesteld jaren van creatieve impasse te overleven.

Maar al die handicaps had List gemakkelijk in haar voordeel kunnen uitbuiten, als Nederland niet Nederland was geweest. Liesbeth List zou inmiddels allang de diva van het vaderlandse lied moeten zijn. Ze heeft alles wat nodig is voor die rol: een prachtige onaangedane stem met een zwoel timbre, waarmee ze niet zozeer emoties vertolkt, maar waarin emoties doorklinken. Ze heeft een bijpassend wereldse uitstraling, een even Hollands als romantisch verleden als dochter van een Vlielandse vuurtorenwachter. Ze heeft liederen gezongen die verankerd liggen in de vaderlandse cultuur; haar Brel-plaat zou in iedere Hollandse platenkast moeten staan, naast Brel zelf. In plaats van meewarigheid voor een zangeres die maar blijft doorkwakkelen, zou ze bewondering moeten oproepen. Het soort bewondering dat zulke zangeressen verdienen, een beetje dwaas, een beetje klakkeloos. Ze zou, kortom, tot aan haar dood op handen gedragen moeten worden.

Maar List is nu een zielige zangeres. In interviews mag ze graag klagen dat het tegenwoordig allemaal zoveel minder is en dat het vroeger ook al niet geweldig was. Platenmaatschappijen moeten haar niet, tekstschrijvers laten haar in de steek, het publiek lust haar niet meer (Vorige week in de Nieuwe Revu: “Ik kon natuurlijk wel weer een programma schrijven en tussen Groningen en Brussel op en neer gaan, maar ik kon het niet hebben dat ik lege zalen had. Tweehonderd à driehonderd mensen. Ik was gewend aan achthonderd, negenhonderd.”) Nu ze dan eindelijk na al die jaren weer een plaat heeft mogen maken, bedankt ze met overdreven deemoed de 'goden' van de Nederlandstalige pop die meegedaan hebben, alsof die háár niet dankbaar zouden moeten zijn voor het feit dat ze met haar mochten werken. (En wel héél zielig klinkt de slotregel van haar dankwoord: “Soms is het lot mij aardig gezind.”)

Diva

Het is een goed teken dat iemand uit een jongere generatie zich nu over List heeft ontfermd: Frank Boeyen, gevoelige jongen bij uitstek, een van de weinige zangers die de traditie van het Nederlandse literaire lied in leven proberen te houden. Boeyen kan mooie teksten schrijven, vooral wanneer hij niet nadrukkelijk poëtisch wil zijn. Zijn arrangementen geven de stem van List de ruimte, al verliezen ze zich hier en daar in strijkerspathetiek. Er staan hele mooie liederen op deze cd. Alleen een zangeres als List kan een riskante tekstregel als 'Heb me lief/heb me lief/heb dit lichaam lief' ('De verzoening') natuurlijk en ontroerend laten klinken. Er staan ook een paar afgrijselijke nummers op ('Vrijheid', een volkomen debiele ode aan het nieuwe Zuid-Afrika, en 'De aanhouder wint', het laatste geschreven door de populaire troubadour Stef Bos, een mengeling van gemakkelijk moralisme en holle beeldspraak). Maar een diva kan zich wel wat wansmaak permitteren.

De nieuwe cd met Boeyen zal het begin moeten zijn. Nu hij zijn beschermende arm om haar schouder heeft geslagen, is hij is min of meer verplicht nog minstens drie platen met List vol te zingen (en dan alle nummers voor haar te schrijven). Vanaf nu moet List één cd per jaar maken, die stuk voor stuk worden uitgebracht, of ze nu verkopen of niet. Om het jaar krijgt ze min of meer automatisch een Edison of wat er nog meer is en minstens één keer per jaar ook moet List een concert geven in een vol Concertgebouw of Carré, waarbij ze onbekommerd oud repetoire zingt, dat iedereen in de zaal uit zijn hoofd kent. De zangeres zal veel gevraagd worden op de televisie, niet alleen in de 5-uur show of in al die andere ramsjprogramma's, maar bij Hanneke Groenteman in De Plantage en als muzikaal en poëtisch hoogtepunt in de nachtsalon van Michaël Zeeman. En List moet vanaf nu natuurlijk ook veel voor de koningin zingen, die nu nog denkt dat sjieke muziek alleen een anoniem werk voor blokfluit uit de Middeleeuwen kan zijn.

Nederlandse schrijvers zullen in de rij staan om teksten voor haar te mogen schrijven en het keer op keer opnieuw proberen wanneer ze hun werk zonder commentaar teruggestuurd krijgen. En over een paar jaar zal ze Paul de Leeuw er weer helemaal bovenop helpen door zich te verwaardigen een duet met hem te zingen.

Zo moet het en niet anders; en je zult zien dat in haar voetsporen het Nederlandse literaire lied opnieuw zal opbloeien. Alleen daarom al is het verstandig om Liesbeth List te koesteren als het nationale cultuurgoed dat ze is. Dat is geen straf, het kost heel weinig en wat nog mooier is, je hebt er Aad Nuis niet bij nodig.