De bloem der bloemen in de Nieuwe Kerk; De eenvoudige, vurige, bescheiden, decadente en volkomen gekke tulp

De Poolse dichter Zbigniew Herbert (1924), schepper van onder andere Meneer Cogito, heeft een zwak voor Nederland. Vorig jaar verscheen van hem in vertaling een bundel essays over Holland in de Gouden Eeuw. Herbert bezocht voor het CS de expositie 'De tulp en de kunst' in Amsterdam. “Als ik moet kiezen tussen twee landen, het ene met een naam die verbonden is met bloedige veldslagen en revoluties, het andere met een naam die je aan bloemen doet denken, dan geldt mijn sympathie natuurlijk dat tweede land.”

De tulp in de kunst. De Nieuwe Kerk, Dam, Amsterdam. T/m 6 nov. Dag. 11-18u.

Van Zbigniew Herbert verschijnt eind deze maand de dichtbundel Rapport uit een belegerde stad. Uitg. De Bezige Bij, 96 blz. Prijs ƒ 39,50. De bittere geur van Tulpen. Holland in de Gouden Eeuw verscheen bij Contact. 183 blz. Prijs ƒ 34,90.

De tulp is in Nederland het symbool van veel dingen, in zekere zin is ze hier de bloem der bloemen, zoals in Frankrijk de roos of de lelie. De organisatoren van de tentoonstelling De tulp en de kunst, die vanaf 8 oktober in de Nieuwe Kerk is te zien, kwamen op het originele idee om voorstellingen van de tulp in verschillende kunsten te laten zien: in schilderijen en beeldhouwwerken, in grafische werken, gebrandschilderde ramen, tapijten en ingelegde meubels.

Dit doet denken aan de methode van de grote Amerikaanse kunsthistoricus Erwin Panofsky, de schepper van de zogenaamde iconografie. De vertegenwoordigers van deze methode onderzochten de weerspiegeling van een onderwerp (bij wijze van grap: de linkervoet van de Evangelist Johannes) in de kunst en kwamen dikwijls tot heel interessante, soms echter ook tamelijk willekeurige en warrige conclusies. Voor de gemiddelde toeschouwer is dit overigens onwezenlijk, het gaat immers om de vraag of de tentoonstelling in een behoefte voorziet, of ze interessant is en esthetische waarden bezit. Ik denk dat het antwoord op deze drie vragen bevestigend is. De tentoonstelling is origineel opgezet, is interessant, en verschaft ons ook veel esthetisch genot.

Zodra er in het voorjaar in de Warschause bloemenwinkels tulpen verschijnen, koop ik een boeketje voor mijn vrouw, die dol is op die bloemen. Als kind al, en ook na de Tweede Wereldoorlog, associeerde ik Nederland, waarvan ik weinig wist, altijd met bloemen. Mijn geboortestad Lwów lag precies op de waterscheiding van twee rivieren waarvan de ene naar de Baltische Zee stroomde en de andere naar de Zwarte Zee, dus ver van de Hollandse bollenvelden.

Als ik moet kiezen tussen twee landen, het ene met een naam die verbonden is met bloedige veldslagen, wreedheid en revoluties, het andere met een naam die je aan bloemen doet denken, dan geldt mijn sympathie natuurlijk dat tweede land. Het is bekend dat er in de wereldgeschiedenis geen enkel volkomen onschuldig volk bestaat, maar er waren betere en slechtere. Volkeren en staten die met bloed, ijzer en vuur een duidelijk spoor door de geschiedenis hebben getrokken, zijn me vreemd.

Toen ik de Nieuwe Kerk verliet en op de op dat tijdstip drukke Dam kwam, vroeg ik me af, wat mij op de tentoonstelling het meest had geboeid. Ik denk dat het de vertoonde verscheidenheid was, zowel in kleur als in vorm, van wat je de wereld van de tulpen zou kunnen noemen. Als die wereld niet zo bont en gevarieerd zou zijn en uitsluitend zou bestaan uit gewone, op alle markten van Europa verkrijgbare gele, rode en witte soorten - die je associeert met eenvoud, bescheidenheid, onschuld - zouden we nooit het fenomeen van de tulpomanie kunnen verklaren, welke in de jaren dertig van de zeventiende eeuw in Nederland woedde. Want juist die enorme verscheidenheid was er de oorzaak van dat zeldzame, bijzonder gezochte, dus dure exemplaren heel hoog stonden genoteerd, als op een echte beurs.

De ene tulp is de andere niet en naast gewone, onopvallende soorten bestaan er een heleboel tulpen die weinig met de deugd van de bescheidenheid gemeen hebben, integendeel: ze zijn overdreven geraffineerd, decadent, zinnelijk en volkomen gek. Vurig en verguld, het Geel en Root van Leijden, enge tulpen, violet, bijna zwart, die aan exotische roofvogels doen denken, tulpen die lijken te branden, met onregelmatige bloemblaadjes en scherpe, als met een schaar geknipte randen - van heel die wereld kon het je gaan duizelen, je kon er gek van worden.

Toen ik op de Dam kwam, bedacht ik dat de verdienste van deze tentoonstelling is dat ze die onrustbarende orgie van verscheidenheid laat zien die waarschijnlijk alleen de tulp eigen is.

Nadenkend over de indeling in genres en soorten in de schilderkunst (die in onze tijd niet meer bestaat) dringen zich enige algemene conclusies op. Immers, tot in de negentiende eeuw kende de Europese schilderkunst een vaste hiërarchie van onderwerpen. Het hoogst stond de historieschilderkunst (zowel bijbelse scènes als veldslagen, kroningen en triomftochten), helemaal onder aan de ladder van de genres kwam het stilleven. Daarvoor zijn veel verklaringen. Het historische genre is per definitie de voorstelling van een belangrijke gebeurtenis, hetgeen niet gezegd kan worden van een paar potten, een omgevallen kandelaar of een verkreukeld tafellaken.

De beoefening van de historieschilderkunst, waarvan Rembrandt in het zeventiende-eeuwse Holland de belangrijkste vertegenwoordiger was, vereiste een uitgebreide kennis en het vermogen om menselijke ervaringen weer te geven door middel van mimiek en gebaren, en een logische opstelling te maken van de personen op 'het toneel van het schilderij', als in het drama, zodat het getoonde duidelijk, begrijpelijk en belerend was. Daarbij hoorde ook nog de kundigheid om draperieën, kostuums, veelal exotische dieren en planten en dode voorwerpen juist te schilderen.

Het stilleven daarentegen stelt lagere eisen en heeft minder pretenties. Maar in de schijnbare armoede schuilt ook de kracht. Het is niet te herleiden tot één symbolische noemer, tot de leus: ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid. In elk geval is het stilleven niet enkel en alleen het symbool van vanitas, zoals kunsthistorici die het probleem simplificeren graag zouden willen.

Wat te zeggen als het onderwerp van een stilleven een bloem is? Je zou zeggen dat de bloem sneller dan wat dan ook onderhevig is aan verval, dat haar slechts een kort leven is beschoren. De kunstenaar evenwel stempelt haar tot een voorwerp van eeuwige schoonheid, van schoonheid die in de vlucht is gevangen, net voor de definitieve catastrofe, ondergang, vernietiging. Let wel: de bloem, in ons geval de tulp, wordt niet alleen voorgesteld als vluchtig, zwak en broos, maar tegelijkertijd - en hierin ligt de paradox besloten - verzekert de kunstenaar haar bestaan, sterker nog, dit bestaan zal nooit eindigen.

Juist dank zij de tovenarij van de kunst kijken we naar de bloemblaadjes van de tulp als iets dat buiten tijd en ruimte bestaat. De tentoonstelling die we met zoveel voldoening bekijken, is daarom niet alleen een zintuiglijke en kunstzinnige ervaring; wanneer we haar beschouwen, ondergaan we bovendien een metafysische huivering: kijk eens, dat wat lang geleden is verwelkt, tot stof vergaan, bestaat dank zij de kunst voort tot buiten het vluchtige ogenblik, raakt bijna aan de eeuwigheid.

    • Zbigniew Herbert
    • Vertaling Gerard Rasch