CDA'er Helgers wilde per se baas worden

Als jongere organiseerde hij 'beat-missen' en was hij centraal verdediger bij de R.K. Wilskracht in Geleen. Thuis aan tafel ging het altijd over politiek. “Je zult je nek moeten uitsteken en leren leven met kritiek”, zegt de vader van de beoogd voorzitter van het CDA nu. Maar Hans Helgers had altijd al een grote drang tot leiding geven. “Hij solliciteerde zich suf om ergens schooldirecteur te worden.” Een carrière van leraar via gevangenisdirecteur naar partijvoorzitter.

Een paar dagen voordat waarnemend CDA-voorzitter T. Lodders in de bossen van Doorn H. Helgers presenteerde als beoogd partijvoorzitter, ging in Geleen, bij vader Helgers, de telefoon. “Het was ongeveer half elf 's avonds. Ik had geen telefoon verwacht”, zegt Helgers die van 1967 tot 1986 raadslid was in Geleen, eerst voor de KVP en daarna het CDA. Zoon Hans (39) vertelde dat hij was gevraagd CDA-voorzitter te worden en van plan was de politieke traditie van de familie voort te zetten. Zijn grootvader van moederskant was kort na de oorlog wethouder in Geleen en de familie Helgers was actief in het katholieke vakbondswerk van de westelijke mijnstreek. “Het kwam voor mij als een volkomen verrassing”, zegt vader Helgers. “Ik zei: jongen, je zult je nek moeten uitsteken en leren leven met kritiek. Voorzitter van het CDA! Dat is tegenwoordig geen gemakkelijke zaak.”

Veel CDA-leden hadden een prominente figuur als voorzitter verwacht, een politicus die het klappen van de Haagse zweep kent. Oud-staatssecretaris G. Brokx, burgemeester van Tilburg, liet weten dat het een bekende katholiek moest zijn die de prominenten van het land bij de voornaam kan noemen. Maar Haagse (ex-)prominenten als oud-minister en oud-Europees commissaris F.A. Andriessen wilden niet, of werden zoals Brokx gepasseerd. De benoemingscommissie kwam uit bij de onbekende Helgers en presenteerde hem als haar eerste keus en voorman van de nieuwe generatie.

Maar niet iedereen in het CDA was onbekend met de beoogde partijvoorzitter. “Hij is voor ons geen onbeschreven blad”, zegt L. Sidders, de voormalig secretaris van de CDA-Kamerkring Utrecht. Helgers was van 1987 tot 1992 voorzitter van het CDA in de provincie Utrecht. “Toen ik hem uitzwaaide, gaf ik hem drie telefoonnummers mee: van de Tweede Kamer, het partijbestuur en onze Kamerkring”, zegt Sidders. “Het kwam kennelijk van pas.”

Helgers liet zich in Utrecht, waar hij werkte als onderwijzer en gevangenisdirecteur, kennen als een pedagoog die er niet voor terugdeinsde anderen een lesje te leren. “Hij is collegiaal en betrouwbaar, maar ook zeer moeilijk van zijn standpunt af te brengen”, vindt P. van Staveren, voorganger van Helgers als voorzitter van de CDA-Kamerkring Utrecht. Bij het opstellen van de kandidatenlijsten voor de provinciale verkiezingen, vaak een moment waarop politieke vriendschappen gevaar lopen, kon Helgers besluiten nemen. “Hij liep niet om lastige keuzes heen, en liet tegelijk iedereen in zijn waarde.”

Helgers is lid van de partijcommissie die, zoals vorige week bleek, de partijstructuur radicaal wil democratiseren. Jaren zat hij in het landelijk CDA-bestuur maar bleef op de achtergrond in commissie-netwerken. Hij behoorde ook tot de commissie-De Koning die een bijna revolutionair plan op tafel legde: CDA-politici moesten na drie termijnen verdwijnen. Vooral Kamerleden met vele dienstjaren waren woedend over de twaalf jaar termijn. T. Rombouts, directeur van het Inter Provinciaal Overleg, zat met Helgers in de CDA-commissie. “Hij toonde tijdens de vergaderingen visie, uitstraling en lef: voorstellen zoals de twaalfjaar-termijn en het houden van functioneringsgesprekken met politici waren hem op het lijf geschreven.” In vergelijking met de afgetreden partijvoorzitter W. van Velzen lijkt Helgers echter een “blijmoediger” politicus, denkt Rombouts: “Beiden zijn goede managers maar bij Helgers valt zijn optimistische blijmoedigheid op. Die werd de laatste tijd gemist in de top van het CDA, maar is bij katholieken over het algemeen wat ruimer voorradig. Hij zal het in het zuiden dan ook goed doen”.

Helgers groeide op in een typische mijnwerkersparochie van Geleen, een stad met grote problemen. De jonge Hans zat op de lagere Heilige Hartschool in de wijk Lindenheuvel toen in de jaren zestig de kolenmijnen werden gesloten en het inwonersaantal begon terug te lopen van bijna 40.000 naar zo'n 30.000. In het gezin-Helgers - drie zonen en drie dochters- was politiek gesprekstof aan tafel. Hans luisterde mee. “Hij vroeg me als jongetje: leg me dit eens uit, of hoe zit dat nu”, zegt vader Helgers. Op de lagere school bleek hij een “klever menneke” te zijn die vooral serieus was. Zijn belangstelling ging uit naar talen en geschiedenis, niet naar rekenen. “Hans werd een centrale figuur in de klas, maar drong zich nooit op de voorgrond”, zegt klasgenoot Th. Bouten. “Hij speelde altijd een soort vredesstichter. Ik heb hem nooit kwaad gezien.” Ook in het voetballen speelde Helgers een centrale rol als verdediger bij de R.K. Wilskracht. “We speelden in het laagste A-elftal”, aldus J. Keltjens die met Helgers op de Don Bosco-Mulo zat. Helgers moest als Ausputzer de ballen wegwerken. “Hans was centrale verdediger. Dat was overigens belangrijk want we kwamen alleen maar aan verdedigen toe.”

De politieke belangstelling van Helgers viel ook zijn klasgenoten op. “Begin jaren zeventig organiseerde hij een protestactie in Geleen tegen kernwapens of zoiets”, zegt Bouten. Helgers zong ook in een “koortje van de kerk” en deed mee met 'beat-missen' om jongeren in de kerk te krijgen. Helgers was een kind van de jaren zeventig. “We gingen vaak naar Pinkpop in Geleen. Golden Earring en Deep Purple, dat was onze muziek”, zegt Keltjens.

Op zijn zeventiende trok Helgers weg uit Limburg en volgde de lerarenopleiding in Utrecht. Vanaf 1977 werd het onderwijs in en rondom Utrecht het werkterrein van de jonge leraar Engels uit Geleen. “Helgers was geen meneer van wie je je speciale anekdotes herinnert”, aldus H. van Rosmalen, leraar machineschrijven aan de Scholengemeenschap IJsselstein, de school waarmee de katholieke huishoudschool waar Helgers lesgaf, fuseerde. “Hij deed graag mee met het organiseren van allerlei buitenschoolse activiteiten zoals disco's voor scholieren en een lerarencabaret.”

Helgers bleef de katholieke zuil ook op andere manieren trouw. Zo was hij actief in één van de Utrechtse parochies. Pastoor Th. van der Zant van de parochie Hoograven-Tolsteeg-Lunetten had die functie al toen Helgers zo'n tien jaar geleden lid was van de parochievergadering; een soort lekenparlement dat Helgers zelf had helpen oprichten. Het was een poging een parochie te kweken die ook zonder de pastoor goed zou kunnen functioneren. “In die zin was hij een echt moderne katholiek”, vindt Van der Zant. “Hij was een betrokken parochiaan die veel belangstelling had voor bestuurlijke vraagstukken. Hij heeft meegeholpen ons statuut te schrijven.” Helgers presenteerde zich een week geleden op de EO als een voorzitter die de C van het CDA weer nadruk wil geven, maar Van der Zant herinnert Helgers zich niet als 'een zwarige' katholiek. “Opvattingen van ethische of godsdienstige aard herinner ik me nauwelijks van hem.”

In het Katholiek Onderwijs Verbond werkte J. Krooshof-Schouw met Helgers, zij was voorzitter van het kringbestuur huishoud- en nijverheidsonderwijs. “Toen we het nieuws over zijn kandidatuur hoorden en zijn leeftijd lazen waren we stomverbaasd; zo jong nog. Hij was namelijk altijd zo weinig impulsief, erg omzichtig, wilde niemand kwetsen en kon goed luisteren. Hij schipperde altijd overal tussen door.”

Ze herinnert zich dat Helgers een grote drang had leiding te geven. “Hij solliciteerde zich suf om ergens schooldirecteur te worden.” Het schoolhoofd H. Verhoef moest hem voor zijn sollicitaties vaak vrij geven. Het lukte echter niet; hoewel Helgers er alles voor deed. Verhoef zag snel dat Helgers “meer dan alleen leraar” wilde zijn. “Hij was vast van plan ergens de baas te zijn, zonder dat hij bazig was. Maar door de vele fusies in het onderwijs zaten alle schoolleidingen potdicht en kwam hij nergens aan de bak.”

Helgers besloot het dan ook over een andere boeg te gooien en bezocht op advies van zijn vrouw een 'open dag' bij justitie; schooldirecteuren waren er genoeg, maar aan gevangenisdirecteuren was een schreeuwend gebrek. “Ineens deelde hij mee dat hij gevangenisdirecteur werd”, zegt Krooshof-Schouw. “We waren allemaal stom verbaasd. Maar ja, hij wilde per se ergens leiding geven”.

In het gevangeniswezen kon Helgers zijn bestuurlijke passie kwijt. De criminaliteit nam toe, de gevangenissen zaten vol. Binnen acht jaar moest het aantal cellen worden verdubbeld terwijl de problemen binnen de inrichtingen toenamen: veertig procent van de gevangenen is drugsverslaafd. Helgers was eerst van 1986 tot 1989 adjunct-directeur van de Bijlmerbajes in Amsterdam en van 1989 tot 1992 directeur van het Huis van Bewaring Wolvenplein in Utrecht.

December vorig jaar trad hij op in de talkshow van Karel van der Graaf. Daar deed hij uitspraken over gevangenissen die eerder deden denken aan het taalgebruik van de Amsterdamse ex-wethouder Jan Schaefer dan aan dat van een zoetgevoisde christen-democraat. Over Zwarte Joop, een befaamde Amsterdamse crimineel uit de hoofstedelijk seks- en gokwereld, zei hij: “Als Zwarte Joop - die ik heb meegemaakt in de Bijlmer - ontsnapte, werd hij na twee weken weer met een busje opgehaald bij zijn vrouw. Hij keek wel dik uit om naar Brazilië of een ander ver land te gaan. Dan miste hij zijn spruitjes en zijn wijf al na een week.”

Op school kon Helgers ten hoogste een prop papier naar zijn hoofd geslingerd krijgen, delinquenten reageerden hun woede anders af. Naar aanleiding van tientallen bedreigingen met de dood zei Helgers tegen Van der Graaf: “Ik ben inmiddels aan mijn 37ste doodvonnis toe. Komt er één bij dan zeg ik altijd: achter aansluiten. Er zijn nog 36 wachtenden voor u. Er zijn er een hoop die zeggen: we steken je overhoop terwijl ze eigenlijk bedoelen: ik ben het niet met je eens. Voor degenen die het wel serieus bedoelen, hebben mijn personeelsleden en ik het kentekennummer geblokkeerd en een geheim telefoonnummer genomen.”

In 1992 werd Helgers benoemd tot directeur van de Penitentiaire Inrichtingen in Grave. Hij voerde er een nieuw regime in. Gevangenen worden in de regel naar verloop van bepaalde tijd overgeplaatst naar een andere afdeling, maar moeten dit verdienen door goed gedrag. Zo werd Helgers de bedenker van het bonus-malussysteem dat staat beschreven in de gevangenisnota van oud-staatssecretaris Kosto waarbij gedetineerden worden beloond danwel gestraft voor goed of slecht gedrag.

In justitiële kringen staat Helgers bekend als een “bovengemiddelde bajesdirecteur”. Grave geldt als een lastige inrichting met een moeilijke gedetineerden-populatie en een ingewikkelde fusie-geschiedenis. Diverse mensen zijn daar al op afgebrand, Helgers niet. Onder de gevangenis-directeuren had hij de bijnaam 'Den Haag-Oost'. Als één van de zeer weinige directeuren had Helgers begrip voor de beleidsmaatregelen uit Den Haag. Dat 'Oost' sloeg op de ligging van Grave: in het oosten. 'Den Haag Oost goes west' heette het als hij weer eens richting Den Haag trok.

Helgers liet zich ook zien toen gevangenen per helikopter uit de inrichting van Grave ontsnapten. Hij zocht onmiddellijk de publiciteit op om voor de televisie “uitleg” te geven. De ontsnapte verdiende wat hem betreft een flinke draai om de oren. “Onze training sociale vaardigheden beklijfde onvoldoende bij de Turkse beroepscrimineel toen hem netjes gevraagd moest worden uit de speciaal voor hem gelande helikopter te stappen. Hij vloog gewoon weg! De lummel”.