Wie het best opschept wordt koning; Armando's amorele anti-sprookjes

Armando: De sprookjes. Met tekeningen van Peter Vos. Uitg. Leopold, 55 blz. Prijs ƒ 24,50.

Veel verhalen, novelles en films worden sprookjes genoemd en nooit zijn ze het echt. Sprookjes zijn oud en hebben geen schepper. Ze ontsproten stukje bij beetje aan de verbeelding van de ontelbare namelozen die ze doorvertelden en kregen pas een auteursnaam opgeplakt toen ze werden verzameld en genoteerd. Nieuwbedachte verhalen die sprookjes willen zijn, vervelen snel. Ze kunnen niet anders dan gekunsteld zijn, ze missen de humus van de overlevering en hun moralisme is daarom onacceptabel. Dat het sprookjes zijn moeten we aannemen op grond van hun archaïsche stijl, inhoudelijk zijn ze of weemakend romantisch of opgelegd wreed of gewild fantastisch.

Geslaagde nieuwe sprookjes bestaan ook maar ze zijn zeldzaam en eigenlijk zijn het geen sprookjes, al lijken ze er wel op: het zijn anti-sprookjes. Dwergen, koninklijke families en oereenvoudige lieden bevolken ze, heksen halen er hun toverkunsten uit, en volwassenen houden er evenveel van als kinderen. Ze worden verteld in de licht gedragen stijl die, in dit geval bedrieglijk, verwijst naar het vele malen doorverteld zijn en ze snijden problemen aan die zich laten herleiden tot algemene geldigheid. Maar in plaats van moralistisch zijn ze principieel amoreel. Precies dat maakt het nieuwbedachte sprookje tot zo'n moeilijk genre. Want goed en kwaad van elkaar onderscheiden, dat kan iedereen. Maar een verhaal erlangs laten scheren en dan vanzelfsprekend laten uitmonden in een conclusie die zich daar niet mee bezighoudt, is al snel gewrongen en dus flauw.

Gerard Reve bewees vijfentwintig jaar geleden zijn meesterschap in het genre, vier jaar geleden liet Armando, schrijver en beeldend kunstenaar, zien dat hij het ook in de vingers had. Zijn bundel sprookjes is even vrolijk amoreel als de sprookjes van Reve, maar subtieler, luchtiger, laconieker. Met een enkel statig woord of deftige zinswending treft hij de juiste sprookjestoon, hij hanteert het refrein, de basis van elk sprookje, als de beste. Zijn meer dan specifieke thema's geeft hij een air van tijdloosheid: de man die dacht dat hij heel goed denken kon, het prinsje dat niet groeien wil, ze maken de indruk te staan voor wijze levenslessen. Maar dat lijkt maar zo. Welgemikt valt Armando uit zijn rol en laat zien dat het leven is wat het is en verder niks, toverkunsten of geen toverkunsten. De kikker wordt een heel lelijke prins, een tovenaar haalt, in het mooiste verhaal uit de bundel, een vileine practical joke uit met een valse koningin-moeder, en de reus 'die wel sterk maar niet aardig was' overwint maar sterft daarna zelf ook 'want zo lang leven reuzen nou ook weer niet.'

Goed en kwaad onderscheidt Armando even feilloos als de jonge lezers voor wie zijn bundel een eminent voorleesboek is dankzij het helder taalgebruik vol verrassende woorden. Maar hij is oprecht niet in staat daar conclusies aan te verbinden. Met ijzeren logica overwint in zijn acht Sprookjes niet wie goed is maar de leukste, de gewiekste of de sterkste. De dwerg Koos is het best in creatief opscheppen dus hij wordt de koning, wie anders? En dreigt er iets te zwemen naar een happy end, dan wordt er niet nog lang en gelukkig geleefd. 'Ze trouwden samen en leefden tamelijk lang' of 'huilen deed ze nauwelijks nog, eigenlijk alleen als ze ruzie met de edele prins had. En dat was lang niet elke dag' - meer kan er niet af.

Bijna niemand las de sprookjes van Armando, want ze verschenen in 1990 in een boekje dat door een uitgever als nieuwjaarsgeschenk werd uitgedeeld aan een select gezelschap. De gewone lezer en het gewone lezertje, voor wie boeken niet uit de brievenbus maar uit de boekhandel komen, kan de bundel nu gelukkig ook lezen, in een schitterend uitgevoerde verkoopeditie. En zelfs in verbeterde vorm. Want Armando's sprookjes werden aangevuld met tekeningen van Peter Vos, die er een wezenlijk onderdeel van uitmaken. Armando bedacht en beschreef ze, Vos gaf ze definitief en al even anti-sprookjesachtig gestalte. Niet lieflijk, niet exemplarisch maar weifelend en menselijk. Van de wenende heks - traantjes in de wind - tot de avonturier die blind is voor zijn eigen avonturen, ze werden compleet door zijn illustraties, vooral als Armando er niet helemaal uitkwam. Zo wil een van de verhalen niet de quasi-mythische proporties aannemen die Armando zich voorstelde, maar dankzij Vos' tekening van koning Leeuw als een flegmatieke bullebak lukt dat een stuk beter.