Wereldreis met reuzesnottebel; James-Bondparodie van Paul Phoelich

Paul Phoelich: De kauwgomballon. Met tekeningen van Martijn van Sonsbeek. Uitg. Jenny de Jonge, 102 blz. Prijs ƒ 24,75.

Kauwgom bij het ontbijt, iedere dag een groot stuk. En niet omdat het lekker is, maar omdat het moet. Een goed avontuur begint met verveling en sleur - en die bestaat voor de vier uitvinderskinderen die de hoofdrol spelen in De kauwgomballon uit het testen van hun vaders halfvoltooide vindingen.

Vader probeert een soort 'superkauwgom uit te vinden die, anders dan gewone kauwgom, juist steeds lekkerder werd in plaats van steeds viezer.' Zijn kinderen hebben er niet veel fiducie in, maar braaf kauwen ze zijn meestal smakeloze, taaie en kartonachtige probeersels. Vader is een wat wereldvreemde sul, die door zijn vrouw en vooral door zijn kinderen met een liefhebbende meewarigheid wordt bekeken.

De grote uitvinding in het boek wordt dan ook niet door hèm gedaan, maar door zijn jongste zoontje, de peuter Frederik. Die laat, als een Alexander Fleming in korte broek, een fikse snottebel vallen in een van vaders potten met kauwgomachtige brij. Er vindt een geheimzinnige chemische reactie plaats, het mengsel begint te rijzen, het wordt steeds lichter en het blijft maar groeien tot er een soort grote luchtballon ontstaat - de kauwgomballon.

Dat is het vrolijke begin van dit verder vrij klassieke avonturenboek van Paul Phoelich. De kinderen vliegen weg met hun ballon, raken in moeilijkheden, vallen in handen van een boze man, ontsnappen, enzovoort. Het aardige van de manier van vertellen van Phoelich is de onnadrukkelijkheid: niet alles wordt uitgelegd, ook niet alles wat belangrijk is. Sommige gebeurtenissen blijven daardoor het hele boek lang raadselachtig, andere worden pas na enige tijd opgehelderd.

Als de kinderen bijvoorbeeld met hun ballon in slecht weer en boven een woeste zee neerstorten, schrijft Phoelich: 'Met een bonk vielen ze neer. Vlogen een eindje omhoog, vielen weer neer, schoten omhoog, en vielen weer neer. Dat ging zo een tijdje door tot ze eindelijk stil lagen. “We liggen niet in het water,” dacht Clara “maar waar dan?” ' Als lezer begrijp je er ook niets van - tot even later blijkt dat ze in een groot net terecht zijn gekomen dat boven een schip is gespannen.

Op dat schip - een van alle gemakken voorzien jacht van een kille grijsaard die zich voorstelt met: “Ik ben de rijkste man van de wereld” - neemt het verhaal een wending die het oudere lezers mogelijk maakt er en passant een James-Bondparodie in te zien. Aan boord van het luxueuze schip wacht de verkleumde kinderen niet alleen een warm bad, een paar schone en precies passende kleren (truien waarop in grote letters hun namen staan) en natuurlijk een heerlijke en uitgebreide maaltijd, maar ook gevangenschap.

De tekeningen van Martijn van Sonsbeek versterken de spanning van het verhaal. Wie het niet kan laten af en toe vooruit te bladeren en alvast tekeningen te bekijken waar je in de tekst eigenlijk nog niet aan toe bent - en wie kan dat wèl laten? - ziet allerlei angstaanjagende taferelen, waarvan pas uit de tekst blijkt dat ze helemaal niet zo eng zijn als ze lijken. Een vette, ongeschoren kok bijvoorbeeld, die met één dichtgeknepen oog en met een groot keukenmes in de aanslag het blote bovenarmpje van een van de kinderen bevoelt, lijkt op de tekening een bloeddorstige cycloop - maar ontpopt zich in het verhaal als een goeiige lobbes.

De karakters van de vier kinderen komen nauwelijks uit de verf, daarvoor lijken ze te veel op de doorsnee avonturenkinderen uit jeugdliteratuur of televisieseries: dapper, bijdehand en brutaal, maar ook onbezonnen en met een klein hartje. Alleen het eigenwijze zusje Clara onderscheidt zich met haar parmantige kennis: zo weet ze dat je geen eskimo moet zeggen maar “in-oe-wiet - maar je schrijft het heel anders.” En als de Inuit vlak voor de duisternis invalt een iglo gaat bouwen doceert ze haar broertjes dat hij aan de zon kan zien hoe laat het is. Maar de Inuit zet haar op haar nummer: hij 'stroopte zijn mouw een eindje op. Hij droeg een duur polshorloge, met allerlei cijfertjes en knopjes.'