Vitale economie vergt ook loonsverlaging

DEN HAAG, 30 SEPT. Het gevaar van een loongolf is volgens onderdirecteur H. Don (40) van het Centraal Planbureau niet reëel. De belangrijkste kandidaat voor de opvolging van G. Zalm als directeur van het CPB verwacht dat pas in de zomer van 1995 de arbeidsmarkt zal aantrekken. “De arbeidsmarkt loopt altijd één à anderhalf jaar achter op de produktie”, weet Don uit ervaring. “De produktie trok begin dit jaar aan. Dus zijn de eerste spanningen op delen van de arbeidsmarkt niet voor medio 1995 te verwachten.”

Don steunt oud-directeur P. de Ridder van het CPB en hoogleraar algemene economie A. Kleinknecht wanneer zij vragen om meer aandacht voor de werking van de vrije markt. “Ondernemers moeten durven concurreren. Het is goed wanneer zij prikkels krijgen waardoor de potentiële welvaartsgroei ook echt wordt gerealiseerd.” Maar het pleidooi voor een loongolf, dat Kleinknecht afgelopen maandag tijdens zijn oratie ter aanvaarding van het ambt van hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam hield, noemt Don “ondoordacht”.

Uit onderzoek van Kleinknecht blijkt dat innovatieve bedrijven hogere lonen betalen dan niet innovatieve. Kleinknecht trekt daaruit de conclusie dat voor meer innovatie hogere lonen nodig zijn. “Volgens mij ligt de causaliteit andersom”, zegt Don. “Innovatieve bedrijven kunnen hogere lonen opbrengen. Maar dat wil niet zeggen dat hogere lonen ook automatisch tot meer innovatie leiden.”

Kleinknecht maakt geen onderscheid tussen bedrijfstakken. Hij gaat uit van een homogene markt. Volgens Don is daarvan echter in de praktijk geen sprake. “Er zijn deelmarkten waar alleen op kosten wordt geconcurreerd”, zegt Don. “En toevallig is het Nederlandse bedrijfsleven daar zwaar in vertegenwoordigd. Als je in die bedrijfstakken de loonkosten flink verhoogt, gaat dat meteen ten koste van winsten en werkgelegenheid, zonder dat je er meer innovatie voor terugkrijgt.”

Het echte probleem van Nederland is volgens Don de verkeerde produktiestructuur. Het Nederlandse bedrijfsleven zit relatief sterk in laagwaardige bulkchemie, landbouwprodukten en de voedingsmiddelenindustrie. “In Nederland worden niet zoveel innovatieve produkten gemaakt”, zegt Don. “En die krijgen we niet door de zwakke broeders onder de ondernemers het leven zo zuur mogelijk te maken.”

Don ziet wat dat betreft meer in het creëren van gunstige vestigingsplaatsfactoren. Daarbij denkt hij niet in eerste instantie aan hoge loonkosten. “Het gaat erom dat we meer hoogwaardige produktie binnenhalen. Ik denk dan aan produktie van investeringsgoederen, machines, computertechnologie, telecommunicatie en alles wat daarmee samenhangt. Wij doen daar wel wat aan, maar het gaat vooral om assemblageactiviteiten, om schroevedraaierfabrieken.” Het Nederlandse bedrijfsleven schiet volgens Don vooral te kort waar het gaat om produktontwikkeling. “De stap van fundamentele research naar de markt kost ons moeite.”

Hoewel Don kritiek heeft op de uitwerking van Kleinknechts ideeën wijst hij diens Schumpeteriaanse benadering niet bij voorbaat af. “Het is een bepaalde manier om tegen de zaken aan te kijken”, zegt Don. “In de Schumpeteriaanse dynamiek zijn het vooral de kleine ondernemers die concurreren op creativiteit. Niet-creatieve ondernemers kunnen het niet bolwerken en gaan failliet. Daar moet de overheid zich niet mee bemoeien. De overheid moet volgens deze benadering vooral zorgen voor goede randvoorwaarden: een onbelemmerde werking van het marktmechanisme, een deugdelijke faillissementswetgeving, goede kennisinfrastructuur.”

Maar ook een andere benadering is mogelijk: waarin de economische dynamiek niet afkomstig is van ondernemers die in hun vrije tijd ideeën krijgen en die uitwerken, maar waarin de technologische sprongen voorwaarts worden uitgewerkt in grote laboratoria. “Die zijn alleen te betalen door grote concerns en dan vaak nog alleen met overheidssteun”, zegt Don. “Van het type technologie dat in de toekomst dominant is hangt af welke benadering actueel is. Ik weet niet wat de dominante vorm van technologische ontwikkeling in de toekomst zal zijn.”

Don pakt er de bijbel van het Centraal Planbureau bij: de in juni 1992 gepubliceerde studie Nederland in Drievoud. Zelf was hij als coördinator verantwoordelijk voor hoofdstuk 2, een sterkte-zwakte analyse van de Nederlandse economie. “Bij een Schumpeteriaanse technologische ontwikkeling, die in kleine bedrijven gestalte krijgt, is het vrije-marktperspectief dominant”, zegt Don. “Bij die andere vorm van technologische ontwikkeling in grote laboratoria is het zogeheten coördinatieperspectief succesvoller.” De vooruitgang wordt hier niet bereikt door ondernemers elkaar kapot te laten concurreren, zodat uiteindelijk de sterkste komt bovendrijven, maar door samenwerking, het reduceren van onzekerheid door het maken van afspraken, het verkleinen van risico's door gezamenlijke inspanningen.

“De Schumpeteriaanse wereld bestaat bij de gratie van onzekerheden” ,zegt Don. “Volgens Schumpeter moet je ook niet proberen door een overlegmodel of overheidsingrijpen onzekerheiden te reduceren. Dit is de wereld waarin succesvolle ondernemers slagen en anderen failliet gaan, geen omgeving waarin je samen om de tafel gaat zitten om markten te verdelen. Daarmee sla je volgens Schumpeter de dynamiek dood.”

Bij hoge kosten van onderzoek en ontwikkeling is het volgens Don juist goed om wèl om de tafel te gaan zitten. “Dit is een structureel keuzevraagstuk”, zegt hij. “Hier in Nederland zijn we te veel in de coördinatiehoek terechtgekomen, waar zaken als kwaliteit van de overheid, samenwerking en collectief aanpassingvermogen een rol spelen. We zijn de grens nog niet over, maar je ziet het zwaartepunt verschuiven richting vrije markt. Daar gaat het meer om individueel aanpassingsvermogen, technologische innovatie, ondernemerschap en economische prikkels. Sommige economen leggen de nadruk op het eerste. De kwaliteit van onze infrastructuur, ons belastingstelsel, de sociale zekerheid. Anderen, zoals De Ridder en Kleinknecht zeggen 'dat weten we nu wel' en benadrukken het vrije-marktperspectief. Dat snap ik wel.”

Hier is ook volgens Don nog een wereld te winnen: “Wij moeten niet alles dichttimmeren met afspraken.”

Nederland heeft volgens Don moeite met veranderingen in de inkomensverdeling die voortvloeien uit de marktverhoudingen. “In het overleg over de lonen hebben we het gevoel dat ze overal met hetzelfde percentage omhoog moeten. Dat kan de dynamiek van ondernemingen remmen. In die zin wil ik het pleidooi voor hogere lonen wel steunen - mits ze beperkt blijven tot selectieve delen van de arbeidsmarkt. Als dergelijke loonsverhogingen van de politiek niet mogen omdat het de inkomensongelijkheid vergroot, dan zeg ik: kijk ook eens naar de arbeidsmarkt. Voor een goed functionerende arbeidsmarkt kunnen selectieve loonsverhogingen nodig zijn. Anders beperken we onnodig onze economische groei en dus onze welvaart.”

Vorige week vrijdag hield Don een lezing voor leden van het VNO. Een zaal vol topondernemers. “Ik heb hen voorgehouden dat ze moeten durven concurreren op zowel produkt- als arbeidsmarkten. Ze moeten meer durven betalen aan mensen die kwaliteit meebrengen en daardoor schaars zijn. Hier in Nederland zijn we nogal gewend om alle lonen met hetzelfde percentage omhoog te doen. Ik heb die ondernemers voorgehouden dat ze twee kanten op moeten durven concurreren op de arbeidsmarkt. Dat ze de lonen omhoog moeten doen waar sprake is van schaarste aan arbeidskrachten en de prijs van de arbeid moeten terugschroeven waar sprake is van overvloed. Naarmate ze meer betalen aan kwalitatief goede mensen gaan ze ook zuiniger met hen om. Dure mensen worden beter benut. Het is toch dit soort dynamiek waar de markteconomie het van moet hebben.”