Tom Neale en Boudewijn Büch over de Stille Zuidzee; Afwassen op een onbewoond eiland

Boudewijn Büch: Blauwzee. Uitg. Atlas. Prijs ƒ 29,90.

Tom Neale: Een Eiland voor jezelf. Vert. Tinke Davids. Uitg. Atlas, 250 blz. Prijs ƒ 34,90.

Om de volkomen eenzaamheid te ondergaan - of om een verborgen schat te zoeken, aldus geruchten - besloot de Nieuwzeelander Tom Neale in de jaren zestig zich te vestigen op een onbewoond eiland in de Stille Zuidzee, driehonderd kilometer van de dichtstbijzijnde bewoning. Over zijn jaren als een hedendaagse Robinson Crusoë publiceerde hij in 1966 een verslag, zonder enige literaire pretentie, onder de titel An Island to Oneself. De Nederlandse vertaling, Een Eiland voor jezelf, is nu verschenen in de Eenzaam Eiland Bibliotheek van uitgeverij Atlas.

De bekoring van het onbewoonde eiland-verhaal is zijn dubbelzinnigheid: je zou het zelf willen durven maar je zou het voor geen goud willen doen. Het grappige van Neale's belevenissen op de atol Suwarrow is dan ook dat ze zo verschrikkelijk gewoon zijn. Netjes hangt hij na het afwassen de theedoek te drogen, hij bouwt met veel moeite een moestuin op - waar hij bij gebrek aan bijen zelf voor de verstuiving van de bloemen moet zorgen - en hij sluit elke dag af met notities in zijn dagboek. Hij gaat zelfs af en toe op een belendend eilandje met vakantie! Juist om dat allergewoonste leven te leiden - dat wil zeggen: om te overleven - legt Neale een ontzagwekkende vindingrijkheid aan de dag. Uiteraard doen zich ook drama's voor, bijvoorbeeld als hij onweerstaanbare behoefte krijgt aan vlees: hij kan zich amper bedwingen als zijn tamme eend uit zijn hand komt eten. Als hij ziek is wordt hij door een wonder gered en gaat voor een aantal jaar terug naar de bewoonde wereld, maar Suwarrow zit hem in het bloed en hij gaat voor nog een aantal jaren terug.

In zijn nawoord werpt 'eilandist' Boudewijn Büch, drijvende kracht achter de Eenzaam Eiland bibliotheek, een onverwacht licht op deze zonderlinge figuur. Als Büch voor diens graf op Rarotonga staat, stopt er plotseling een wrakkige auto en roept er iemand: “Heeft u vergunning om daar te staan? Wat doet u daar?” Het blijkt Neale's zoon te zijn, een van de twee kinderen die hij met een inheemse vrouw kreeg.

Een uitgebreide versie van dat nawoord staat ook in Blauwzee, deel vier in Büchs eilandenreeks, dat gewijd is aan de Stille Zuidzee. Behalve op Neale gaat feitenfreak Büch diep in op de Pitcairn-eilanden, waarbij hij constateert dat de overmatige belangstelling voor het lot van de muiterij op de Bounty (de 'Bountylogie') ten koste is gegaan van de andere eilanden die er heus net zo goed bijhoren: Ducie, Henderson en Oeno. Hij gaat ook op zoek naar Johnny Frisbie, dochter van een blanke vader en een Polynesische moeder en schrijfster, op haar dertiende, van Miss Ulysses of Puka-Puka, een volgens Büch sublieme beschrijving van het gelijknamig eiland in de Cook-archipel. Zowel Johnny als haar vader Robert Dean Frisbie hebben Puka-Puka herhaaldelijk beschreven en het daardoor, volgens de immer euforische Büch, tot een legendarische plek gemaakt: het klassieke, eenzame eiland.

Via de meest onwaarschijnlijke omwegen spoort hij Johnny Frisbie in 1992 in Nieuw-Zeeland op en ondervraagt haar over haar leven en haar boek. Het verscheen in 1916 in het Engels, het Rarotongaans en het Pukapukaans - en vorig jaar in het Nederlands, in deze zelfde reeks - en markeerde het begin van de Zuidzee-literatuur, die nog altijd zeer bescheiden van omvang is. Erg veel heeft ze er niet over te zeggen, maar dat drukt de pret allerminst. Kennelijk is dit de echte bevrediging van de eilandist: niet het bereiken van een eindpunt, maar het natrekken van een spoor.