Sympathie met een schuldige; Toergenjev en de medeplichtigheid

'De terechtstelling van Troppmann' in: T.S. Toergenjew: Herinneringen (Uitg. De Arbeiderspers, 1974)

Gerrit Krol: Voor wie kwaad wil (Uitg. Querido, 1990)

Wie de 'verwarring van Toergenjev' aan den lijve wil voelen, bezichtige de film 'Gij zult niet doden' (deel vijf van Kieslowski's Dekalog) verkrijgbaar in de zeldzame 'betere' videotheek

Schrijven over executies is een oud gebruik, dat om te beginnen de Apologie van Socrates en de vier evangelies heeft opgeleverd. Die geschriften leren dat de voltrekking van een doodvonnis de beschuldigde tot een martelaar maakt. Dat zagen we toen Johannes van Damme werd opgehangen. Het is niet moeilijk om hem te beschouwen als iemand die zwaar behoort te boeten voor zijn voorgenomen aandeel in de verspreiding van vier komma drie kilo onafzienbare ellende. Toch bleek dat zelfs een schuldige man die een wisse, onnatuurlijke dood onder ogen moet zien, op sympathie kan gaan rekenen.

Die verwarrende sympathie is door niemand mooier beschreven dan door Toergenjev, in zijn artikel 'De terechtstelling van Troppmann', waarin hij zijn eigen reacties op de voltrekking van een doodvonnis onderzoekt. Dankzij een toeval mocht Toergenjev aanwezig zijn in de gevangenis waar Troppmann geguillotineerd zou worden. Hij achtte de veroordeelde een monster eerste klas - maar wanneer diens lange, donkere haar afgeknipt moet worden, stelt Toergenjev vast: 'Ik kon mijn ogen niet afhouden van die eens door onschuldig bloed roodbesmeurde handen, die nu zo hulpeloos op elkaar lagen, en vooral niet van die dunne hals van een jonge man. (-) Daar, dacht ik, op die plek zal straks, over enkele minuten een tientallen kilo's wegende bijl de wervels scheiden, de spieren en pezen doorsnijden - terwijl het lichaam er blijkbaar geen vermoeden van heeft, zo glad, zo blank, zo gezond ziet het er uit.'

Of Toergenjev nu wil of niet, hij krijgt een soort respect voor de moordenaar, die onaangedaan alle medewerking verleent, na een nacht 'goed te hebben geslapen'. Een pagina later schrijft hij zelfs: 'Troppmann liep met kordate passen vooruit, zijn boeien hinderden hem bij het lopen - en hoe klein kwam hij me toen voor, eigenlijk een kind nog!' Het is alsof het onherroepelijke feit dat hij, Toergenjev, een brute dood bij zal wonen, hem ergens schuldig aan maakt, terwijl het steeds moeilijker wordt om in Troppmann het kindermoordend monster te zien dat het verstand en de feiten al van hem hadden gemaakt.

Ik moet bekennen dat ik, tot Van Dammes executie, mijn houding jegens de doodstraf nooit helemaal had bepaald. Het laatste, en beste, dat ik over het onderwerp gelezen had was van Gerrit Krol, in zijn bespiegeling Voor wie kwaad wil, bij mijn weten de enige poging in ons taalgebied om de kwestie te benaderen zonder zich a priori tegen doodstraf uit te spreken. Volgens Krol is het voor de gedachtenbepaling onvruchtbaar om onvoorwaardelijk tegen doodstraf te zijn. Het gaat hem er vooral om de gevolgen van zo'n categorische afwijzing te onderzoeken. Wat betekent die voor onze morele huishouding? Is het mogelijk dat de principiële afwijzing van doodstraf het leven van slachtoffers onnodig en onoirbaar verziekt? Liegen we, als we niet willen erkennen dat levenslange gevangenisstraf, werkelijk volgehouden, een doodstraf op termijn is, en daarmee onmenselijker dan executeren?

Uiteindelijk komt Krol tot een soort patstelling. 'Wie tegen de doodstraf is en bovendien consequent, moet de moordenaar laten lopen.' Want uiteindelijk zullen we de straf die we opleggen, ook de vrijheidsstraf, menselijk willen laten zijn. Wij beschaafde mensen, kunnen, als we geen misdadigers zijn, misdadigers niet aandoen wat zij onschuldigen hebben aangedaan. Het is een paradoxale uitkomst die iedere strafoplegging tot een dilemma maakt. Krols boekje maakt mij in ieder geval duidelijk dat het niet gemakkelijk is om categorisch tegen iedere doodstraf te zijn.

Dank zij het essay van Krol begreep ik beter wat mijn eigen houding was geweest in de tijd van de vrijlating van de Twee van Breda. Die vrijlating vond ik een verraad jegens degenen die in '46 of daaromtrent het levenslang hadden uitgesproken. Zij hadden een onherroepelijke straf in gedachten. Waren de Twee toen wel geëxecuteerd, dan zou hun straf inderdaad onherroepelijk zijn geweest, en bevredigend voor het vlaknaoorlogse rechtsgevoel. Dat ik vond dat de Twee dus tot hun dood moesten blijven zitten maakte me al duidelijk dat mijn afwijzing van doodstraf niet categorisch was: ze moesten blijven zitten omdat ze niet geëxecuteerd waren.

Dat Van Mierlo de doodstraf, 'wezensvreemd' noemde aan onze cultuur, vond ik, op grond van m'n eigen ideeën over de Twee van Breda, dus een beetje onzin. Het leek me de zalvende, ethische newspeak van iemand die niet heeft nagedacht over wat 'wezen' betekent. Max Pam wees daar, in andere bewoordingen, vorige week in zijn column al op. Het lijkt me onwijs om te beweren dat je je nooit zult kunnen verenigen met welk doodvonnis dan ook. Ik denk althans niet dat ik een gewetensvolle fax zal sturen naar de president die gratie zou kunnen verlenen aan de terrorist Carlos, wanneer na een regelmatig proces is aangetoond dat die verantwoordelijk is geweest voor de Olympische Dorp-slachting in München. Ik kan hoe dan ook niet beloven dat ik een misdaad nooit erg genoeg zal vinden om niet eens, na een bezonnen rechtsgang, in te stemmen met de executie van de dader.

In de praktijk werkt de uitspraak: 'doodstraf mag nimmer' in ieder geval vertroebelend. Zodra er iemand dreigt te worden opgehangen, praat niemand meer, zo lijkt het, over de ellende die de schuldige over onschuldigen heeft gebracht, of, zoals in het geval van Van Damme, gebracht zou kunnen hebben. De discussie beperkte zich tot de onmenselijkheid van zijn lot. Ik heb althans in de weken voorafgaande aan de executie geen interview gezien met een vader of moeder van een zestienjarige verslaafde die ons uit de doeken kon doen wat vier kilo heroine op de markt aan verwoesting van levens nu eigenlijk in de praktijk betekent. Het was, om met Toergenjev te spreken, integendeel alsof wij ergens schuldig aan werden. En we merkten al helemaal niet op dat de schuldige, die toch allerwege werd afgeschilderd als een redelijk en ten slotte ook religieus mens, nimmer een spoor van spijt heeft betuigd, of een blijk van schaamte heeft gegeven.

Zelfs Toergenjev, een van de weldenkendste schrijvers van zijn tijd, wijdt in zijn verslag nauwelijks één gedachte aan de ontzaglijke verantwoordelijkheid die Troppmann op zich geladen heeft door een gezin met kinderen uit te roeien. Toergenjev onderging de voltrekking als een misdaad, en zichzelf als medeplichtige. Maar hij trok niet de conclusie die voor het oprapen ligt: wat wij aan huiver, 'tegennatuurlijkheid' en morele verwarring ondergaan tijdens het ombrengen van een schuldige, voelde Troppmann niet toen hij zijn misdaad pleegde.

En weer eindigt het in een dilemma, in moeten kiezen tussen kwaden. Want hoe moet je iemand straffen, als we, wanneer het er op aan komt, de schuldige niet aan kunnen doen wat hij onschuldigen heeft aangedaan? Hoe te straffen zonder zelf misdadig te zijn?