Student kost universiteit 79.000 gulden

ZOETERMEER, 30 SEPT. Tot en met zijn afstuderen kost een universitaire student in Nederland gemiddeld 79.000 gulden aan onderwijs. In Groot-Brittannië heeft een afgestudeerde 72.000 gulden gekost en in Duitsland 65.000.

Dit blijkt uit een vergelijking van het hoger onderwijs in Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië over de periode 1980-1990. Het vergelijkend onderzoek is uitgevoerd door het Twentse Centrum voor Studie van het Hoger-Onderwijsbeleid (CSHOB) en het Haagse Instituut voor Onderzoek van Onderwijsuitgaven (IOO), in opdracht van het ministerie van onderwijs.

Uit het onderzoek blijkt dat het onderwijs aan een Britse student weliswaar bijna 40 procent duurder is dan aan een Nederlandse, maar omdat de Britse studenten sneller afstuderen en ook vaker hun diploma halen zijn de totale onderwijsuitgaven per diploma bijna tien procent lager. De gemiddelde Britse studieduur is 3,65 jaar, veel korter dan de 5,8 jaar in Nederland. Van de 100 studenten halen er in Groot-Brittannië 88 de eindstreep, in Nederland 60. In Nederland is het studierendement ook lager dan in Duitsland. In Duitsland halen er van de 100 studenten 69 een diploma, maar daar is de gemiddelde studieduur wel veel langer (6,7).

Een van de verklaringen van het succes van Briste studenten is dat de universiteiten vrijelijk bijzondere toelatingseisen kunnen stellen, die per universiteit sterk verschillen. Het gevolg is wel dat de universiteiten daar nog altijd redelijk 'elitair' zijn. In Groot-Brittannië gaan relatief weinig jongeren studeren, van de achttien- tot twintigjarigen minder dan dertien procent. In Nederland is dat zo'n twintig procent. Het Britse overheidsbeleid is er dan ook al jaren op gericht om de instroom te vergroten, onder anderen door opwaardering en uitbreiding van het Britse HBO-onderwijs: de polytechnics, die in 1992 de status van universiteit kregen.

De groei van het aantal universitaire studenten is van 1980 - 1990 in Nederland relatief bescheiden gebleven (12 procent). De groei is veel kleiner dan in de buurlanden Duitsland (43 procent) en Groot-Brittannië (18 procent). De relatief lage kosten van een Duitse afgestudeerde zijn dan ook het resultaat van een grote toestroom van studenten naar de universiteiten zonder dat daar in gelijke mate extra geld voor wordt uitgegeven. De Duitse universiteiten zijn werkelijk massaal. In de periode 1980 - 1990 is het aantal docenten per 100 studenten er met 25 procent gedaald tot iets meer dan drie. In Nederland en Groot-Brittannie staan er per 100 studenten meer dan zeven docenten klaar. De Duitse wetenschappers en universitaire docenten zijn bijna een kwart duurder in salaris dan de Nederlandse: gemiddeld 92 duizend gulden tegen 74 duizend. De Nederlandse docenten zijn overigens vooral te vinden aan de medische faculteit: 17 per 100 studenten. Bij de alfa- en gamma-vakken zijn dat er respectievelijk 5,7 en 4,6.

Opmerkelijk is dat in Nederland de totale universitaire uitgaven per student in het vorige decennium vrijwel constant zijn gebleven. De universiteiten hebben de met 30 procent dalende overheidssubsidies vrijwel volledig weten te compenseren uit andere inkomstenbronnen, vooral contractonderzoek. In hoeverre dit geld ten goede is gekomen aan onderwijs, is echter de vraag. Het CSHOB doet hiernaar vervolgonderzoek.

De wetenschappelijke publikaties zijn in Nederland in het vorige decennium in aantal bijna verdubbeld, en in prijs flink gedaald: met 41 procent in de periode 1981-1990. Gemiddeld is in 1990 aan een wetenschappelijke publikatie (van dissertatie tot het bij sommige vakgroepen ook meetellend kranteartikel) door de universiteiten ruim 45 duizend gulden uitgegeven, zo hebben het CSHOB en IOO berekend.

De toename van het aantal studenten in het niet-universitaire hoger onderwijs is tussen 1980 en 1990 in alle drie landen groter geweest dan aan de universiteiten. In Duitsland groeiden de Fachhochschule met 94 procent, de Britse polytechnics trokken 60 procent meer studenten en de Nederlandse hogescholen bijna 50 procent, vooral na 1985. Maar de uitgaven stegen niet in gelijke mate mee. In Duitsland daalden de uitgaven per student met 5 procent, en in Nederland met 13 procent. Voor Groot-Brittannië zijn hierover geen gegevens beschikbaar.