Staat moet kosten sanering betalen

DEN HAAG, 30 SEPT. De staat moet opdraaien voor de sanering van bodem die in de periode voor 1975 door Shell, Solvay Duphar en Fasson is verontreinigd met fabrieksafval. Het gaat om een bedrag van ruim 400 miljoen gulden.

Dit heeft de Hoge Raad vanmorgen in cassatie bepaald. Het gaat om stortingen van afval met drins (insecticiden) door Shell, in het Zuidhollandse Gouderak. Dit gebeurde tussen 1954 en 1959. In het gebied is een nieuwbouwwijk gebouwd, die wegens de vervuilde bodem later moest worden gesloopt. Solvay Duphar stortte van 1960 tot 1969 vaten met giftig afval in de Volgermeerpolder in Amsterdam-Noord. De saneringskosten bedroegen per zaak 200 miljoen. De veel kleinere vervuiling door Fasson kostte de staat 9 miljoen. Hierbij ging het om het storten van verf- en lijmafval in 1972 en 1973 op de Goudsberg in Lunteren.

Volgens de Hoge Raad meende de staat ten onrechte dat hier sprake was van 'een onrechtmatige daad' zoals omschreven in de Interimwet Bodembescherming. Volgens de staat waren de drie bedrijven gezien hun specifieke deskundigheid op de hoogte van de gevaren van de vuilstort voor volksgezondheid en milieu. Die gevaren hadden ze kenbaar moeten maken aan de vervoerder. Ook hadden ze ervoor moeten zorgen dat het vuil zo werd gestort dat er geen risiso's aan waren verbonden.

Maar de Hoge Raad vindt dat in het geval van een onrechtmatige daad, de overheid zich indertijd het belang van bodemsanering al aan had moeten trekken. Dit was niet het geval, aldus de Hoge Raad, en evenmin was duidelijk dat de overheid zich het belang van bodemsanering ooit nog eens zou gaan aantrekken.

Ook in 1992 bepaalde de Hoge Raad dat bedrijven niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor bodemvervuiling van voor 1975, omdat toen nog niet duidelijk was dat er ooit zoiets als bodemsanering zou komen. In tegenstelling tot de drie nu voorliggende zaken, ging het bij die arresten om vervuiling van het eigen bedrijfsterrein. Maar de Hoge Raad oordeelt nu dat “het in de rede ligt geen uiteenlopende tijdstippen te kiezen”.

Het ministerie van VROM zei vanmorgen “teleurgesteld” te zijn over de uitspraak. Volgens VROM hoeft de uitspraak echter niet van invloed te zijn op de ongeveer 160 zaken die nog bij de rechter liggen, en waarvan tweederde betrekking heeft op de periode van voor 1975. Deze zaken vallen onder nieuwe wetgeving waarmee de Eerste Kamer dit voorjaar akkoord ging. Door een wijziging van de Wet Bodembescherming is het toen mogelijk geworden ook gevallen van bodemvervuiling van voor 1975 op de vervuiler te verhalen. Wel is die aansprakelijkheid beperkt tot vervuilers die 'ernstige verwijtbaarheid' ten laste kan worden gelegd. Met de 160 zaken is in totaal een bedrag van 1 miljard gulden aan saneringskosten gemoeid.