Olivier Tuinier (12), acteur; Terroristje in Sarajevo

“Als ik ga acteren is het niet leuk om naar te kijken, ik kan beter gewoon mezelf spelen. Volwassenen kunnen bewust iemand anders spelen en dan ziet het er ook nog veel geloofwaardiger uit dan als een kind het doet. Ik ben nog veel te jong om echt te acteren.”

Olivier Tuinier (12) werd in 1989 bij toeval ontdekt toen hij een vriendje vergezelde dat auditie deed voor de televisieserie Kinderen van Waterland van Ben Sombogaart. Sindsdien werkte hij mee aan elf televisie- en speelfilms. Zijn bekendste hoofdrollen speelde hij in de kinderserie Het Zakmes (1991), waarvan later een speelfilm werd gemaakt, en de film De Kleine Blonde Dood (1992). Het Zakmes, ook geregisseerd door Ben Sombogaart, kreeg behalve een Gouden Kalf (1993) twaalf internationale prijzen, waaronder dit jaar een Emmy Award. Op het moment is Olivier bezig met de laatste opnames voor De Tasjesdief, een kinderfilm van Maria Peeters.

“ Daarin speel ik voor het eerst iemand die een beetje anders is dan ikzelf. Er gebeuren in die film enge dingen met mij, een auto-ongeluk bijvoorbeeld. Dan zou ik zelf willen wegrennen, maar de regisseur zegt: 'meer Alex' en dan moet ik dus blijven staan, want in de film ben ik Alex en die zou nooit weglopen.”

“Een goede regisseur vind ik iemand waarmee het klikt en die weet wanneer ik geen zin meer heb. Ben Sombogaart gaat dan een stukje met me rennen. Ben legt ook goed uit wat voor rol het is. Hij doet dat niet te precies, want dan gaat het nepperig werken. Ik weet nooit wat hij echt wel of niet wil. Hij is veel te verlegen om er iets van te zeggen als het helemaal fout is en hij wordt nooit boos.”

“Ik leer nooit mijn tekst van buiten, want dan gaat het zo onecht klinken. Bij repetities doe ik mijn best niet, want als je gaat oefenen om jezelf te spelen dan repeteer je het dood. Je moet met je tegenspeler ook niet afspreken hoe je iets gaat doen. Anders ga je, hoe heet dat, anticiperen. Je kunt wel van tevoren stiekem iets bedenken waardoor de ander beter speelt. Als ik buiten beeld een scène met iemand moet spelen dan ga ik wel eens expres heel ongeïnteresseerd onderuit hangen. Dan wordt de ander kwaad. Dan wil hij tot me doordringen zodat ik luister en dan acteert hij beter.”

“ Een goede acteur is geloofwaardig. Hoe serieuzer je het neemt, hoe moeilijker dat is. Volwassen acteurs willen stilte en concentratie voor een scène. Ik wil voetballen. Misschien neem ik het als ik ouder word ook te serieus en wil ik ook echt acteren. Dan lukt het denk ik niet meer. Misschien ben ik nu wel al die figuurtjes die ik speel. Dat ik me onbewust in iemand verplaats. Veel kinderen schamen zich als ze moeten spelen. Ik heb dat niet. Als ik ouder wordt, ga ik me misschien wel schamen. Ik denk dat later trouwens toch niemand meer naar Olivier wil kijken. Dan zullen ze wel weer een ander jongetje hebben. Ik wil hier ook niet mijn brood mee verdienen. Als het moet is het niet meer leuk. Ik wil paleontoloog worden.”

“Als ik nu films terug zie waar ik vroeger in heb gespeeld dan let ik wel op wat ik nu anders moet doen. In Het Zakmes had ik een stom hoog en schor stemmetje. Ik vind het ook niet zo leuk om steeds het schattige kleine jongetje te moeten zijn. Omdat ik klein ben voor mijn leeftijd, speel ik bijna altijd kinderen die jonger zijn dan ik. Daar pesten ze me wel eens mee. Ik zou nog wel eens in een spannende actiefilm willen spelen. Met veel explosies en wegrennen. De kinderen hier in de straat spelen 'terroristje in Sarajevo'. Dan gaan ze rondrennen met een houten geweer en een stuk verband met een steen erin. Dat vind ik zo dom. In een film zou ik het wel spelen. Voor de camera is het bijna tè erg, waardoor het weer grappig wordt. Een film is minder echt dan in het echt, daarom is het minder stom.”