Middelbare scholen: advies leerkracht moet doorslag geven

AMSTERDAM, 30 SEPT. De Amsterdamse scholen voor voortgezet onderwijs vinden dat het advies van de leerkracht doorslaggevend moet blijven voor de vervolgopleiding van een leerling. Wel vinden zij dat alle Amsterdamse basisscholen de Cito-toets moeten invoeren.

Dit zegt voorzitter C. Ariëns van het Amsterdamse platform voor voortgezet onderwijs dat ruim tweederde van alle scholen voor voortgezet onderwijs vertegenwoordigt. Hij reageert hiermee op het onderwijsplan 'Naar betere resultaten' dat wethouder Van der Aa gisteren presenteerde. De wethouder wil dat de keuze voor een vervolgopleiding “volledig objectief” tot stand komt. Vanaf 1996 zouden alle Amsterdamse basisscholen gebruik moeten maken van de Cito-toets.

De Cito-toets is volgens de scholen voor voortgezet onderwijs een goed middel om een einde te maken aan “de veelvuldigheid van procedures”. Vaak is het advies van de basisscholen omgeschreven op een adviesformulier. Volgens het platform worden deze vrijwel nooit gebruikt, omdat ze “veel te uitgebreid en ingewikkeld” zijn. Soms geven basisscholen naast het advies van de leerkracht helemaal geen extra gegevens.

De gemeente heeft formeel geen bevoegd gezag over de scholen in Amsterdam, maar Van der Aa hoopt dat de schoolbesturen “na uitgebreide discussies” zijn voorstellen overnemen. Nu neemt zestig procent van de Amsterdamse basisscholen de Cito-toets af.

Scholen voor voortgezet onderwijs zijn verplicht bij het toelaten van nieuwe brugklassers behalve naar het advies van de basisschool ook te vragen naar de resultaten van een 'geschiktheidsonderzoek'. Meestal is dit de Cito-toets, maar het kan ook een andere toets zijn.

Volgens Van der Aa komt het er in de praktijk meestal op neer dat het advies van de leerkracht doorslaggevend is. Dit leidt volgens hem tot “gigantische verschillen in het voortgezet onderwijs”. Van der Aa: “Sommige scholen geven leerlingen sneller het voordeel van de twijfel of nemen iemand aan omdat dat geld oplevert. Basisscholen zien het vaak ook als een statussymbool als ze veel leeringen naar het HAVO doorverwijzen.”

Om te zorgen dat scholen alleen leerlingen aannemen die een reële kans van slagen hebben, wil Van der Aa dat het Cito-advies doorslaggevend wordt. Omdat deze toets een momentopname is, zou deze moeten worden aangevuld met de resultaten van een 'leerlingvolgsysteem' waarbij leraren systematisch de vorderingen van hun leerlingen bijhouden. Dit systeem moet volgens het plan van B en W in 1997 op alle scholen zijn ingevoerd.

De rol van leerkrachten bij de keuze voor een schooltype moet volgens Van der Aa wel doorslaggevend zijn in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld als een kind door een handicap, ziekte of door moeilijke privé-omstandigheden niet in staat was de Cito-toets met goed resultaat af te leggen.

In de jaren zeventig was er in de onderwijswereld veel kritiek op de Cito-toets. Van der Aa: “Je mocht kinderen niet testen. Dat paste niet in het pedagogisch klimaat. Een kind moest zich kunnen ontplooien en ontplooiing was niet te meten. Bovendien moest iedereen in principe naar het hoger onderwijs kunnen. Nu zeggen we: stuur een kind niet naar een school waar het uiteindelijk toch mislukt.”

Volgens de wethouder is het tijd voor “een realistische aanpak” van het onderwijs. Veel Amsterdamse leerlingen verlaten volgens hem de basisschool met een achterstand van een jaar. Desondanks gaan in de hoofdstad meer kinderen naar het VWO dan in de rest van het land. Maar na drie jaar ligt het percentage Amsterdamse leerlingen in het VWO weer op hetzelfde niveau als in de rest van het land. Het aantal leerlingen in het voorbereidend beroepsonderwijs is dan flink gestegen.

“Ouders willen in het begin vaak veel te veel voor hun kind”, zegt Van der AA. “Maar voor het kind is het van het allergrootste belang dat het succes heeft. Als het faalt op school raakt het teleurgesteld en gedemotiveerd. Het gaat spijbelen en de kans dat het uiteindelijk helemaal geen diploma haalt, is groot.” Volgens Van der Aa is dat in een “open en helder gesprek” met de ouders heel goed uit te leggen.

De Amsterdamse basisscholen reageren verdeeld op het voorstel van Van der Aa. Alle Montessorischolen zijn bijvoorbeeld tegen het invoeren van de Cito-toets. “Wij zijn tegen rapporten en tegen testen”, zegt een woordvoerster van Montesorrischool De Kinderleefkring. “Veel belangrijke factoren kun je eenvoudig niet testen. Hoe gaan kinderen met elkaar om? Hoe zijn hun praktische vaardigheden? Wij geven er de voorkeur aan dat de leraar een formulier invult waarin hij uitgebreid kan verhalen over het reilen en zeilen van het kind.”

De openbare Louis Bouwmeesterschool gaat vanaf dit jaar de Cito-toets afnemen. De reden daarvoor is volgens directeur H. van der Heul dat veel scholen voor voortgezet onderwijs inmiddels toelatingsexamens zijn gaan afnemen. “Dan kunnen leerlingen beter hier in hun vertrouwde omgeving de Cito-toets maken, dan dat ze onder hoogspanning op een nieuwe school moeten presteren.” Van der Heul vindt het wel jammer dat wethouder Van der Aa zoveel belang hecht aan de Cito-toets. “Het advies van de leerkracht moet doorslaggevend blijven. Die hebben de kinderen jarenlang onder hun hoede gehad.” Bovendien hoopt Van der Heul dat de gemeente extra geld beschikbaar stelt. De Cito-toets kost de school twintig gulden per leerling.