Michiel Nales (16), schrijver; Ik leef op chocola

Michiel Nales: Alles kan. Met tekeningen van Jette Rol. Uitg. Querido, 104 blz. Prijs ƒ 22,90

Toen Michiel Nales zeven jaar was zei hij een keer tegen zijn moeder: 'Dat jongetje heeft regenbogen in zijn ogen.' Zijn moeder verbaasde zich en vroeg wat hij daarmee bedoelde. Michiel legde het uit. 'Hij lacht, maar eigenlijk moet hij huilen.'

Michiel Nales is nu zestien en binnenkort verschijnt zijn eerste boek, Alles kan. Het is een bundel van zijn belevenissen. Michiel is veertien, vijftien of zestien en hij heeft een poes, hij houdt van chocolade en hij gaat op vakantie naar Italië. Zo samengevat lijkt dat heel gewoon. Pas in de korte zinnen van Michiel worden het de grote of verfijnde gebeurtenissen die het in werkelijkheid zijn. “Als er getankt moet worden, ben ik van de partij,” schrijft hij bijvoorbeeld in het verhaal 'Decemberjunk'. “De auto leeft op benzine, ik op chocola.”

Michiel, groot en stevig, donkerblond en zachtgehuid, doet maar anderhalf uur over een verhaal. Hij schrijft als hij iets grappigs meegemaakt heeft. Of iets treurigs. “En als ik niets weet, schrijf ik niets.”

De verhalen zijn voor het merendeel al gepubliceerd op de Kinderpagina van NRC Handelsblad, waarnaar hij in 1991, 13 jaar oud, een gedicht opstuurde. “Daarvoor schreef ik niet veel,” zegt Michiel. “Toen ik zeven was schreef ik wel verhalen als ik met mijn opa had gekeken naar de Norfolklijn, naar de boten die van Scheveningen naar Engeland varen. En als ik op vakantie was, schreef ik verhaaltjes over gekke mensen.”

In de verhalen van Michiel komt meestal terloops aan de orde dat hij in rolstoel zit. Hij heeft nooit kunnen lopen. De titel van het boek verwijst ernaar. Het is ook de titel van een van zijn gedichten:

Jij kan niet skieën en ik lekker wel zegt de jongen tegen mij Maar hij vergeet één ding Mijn benen doen het niet zo goed, maar in mijn denk kan ik mooi alles wat ik wil Thuis in Wassenaar kruipt Michiel over de grond. Met een stoeltjeslift gaat hij de trap op naar zijn kamer. Daar staan de kraan- en graafwagens die hij koopt van het geld dat hij met zijn verhalen verdient. Naast zijn bed hangt een grote romantische poster van een vrachtwagen. “De rolstoel maakt deel uit van mijn ervaring,” zegt Michiel. “En daarom schrijf ik erover. Ik wil niet speciaal behandeld worden. Toen ik een keer kinderpostzegels verkocht, kreeg ik voor mezelf geld van een mevrouw. Vreselijk.”

Michiel wil kort en krachtig schrijven. Misschien is daarom Toon Tellegen zijn favoriete auteur. “Tellegen schrijft kort en zo dat je meteen weet waar het over gaat.” Maar ook de iets breedsprakiger Evert Hartman vindt hij goed. “Bij hem kun je helemaal in het verhaal zitten.” Boeken voor volwassenen leest Michiel nog niet, al heeft hij wel Vals licht van Joost Zwagerman gekocht na een optreden van de auteur in de plaatselijke bibliotheek. “Sommige woorden zijn nog te moeilijk,” zegt Michiel.

Schrijven lijkt Michiel makkelijker af te gaan dan praten. “Als ik schrijf weet ik meer te vertellen,” zegt hij. Michiel zit op de MAVO-afdeling van een mytylschool. “Ik heb een prikkelgeleidingsstoornis. Soms ben ik heel langzaam. Dan zegt iemand iets en dringt het pas veel later tot me door. En soms ben ik juist heel druk en maak ik rare geluiden.”

Over andere dingen dan zijn eigen belevenissen wil Michiel niet schrijven. En schrijver wil hij ook niet worden. Wat dan? Michiel: “Administratie op een kantoor lijkt me wel wat.” Zijn moeder heeft wel eens andere wensen gehoord, zegt ze. Michiel geeft toe. “Ik wil ook wel toneelbelichter worden.” Schrijven wil hij wel als hobby blijven doen. Michiel lanceert een drietrapsraket: “Als ik iets wil schrijven. Als ik iets weet om te schrijven. Als ik er zin in heb.”