Kinderen op het toneel en in de studio; Afgeleid door een vlieg

Kinderen komen in toneelstukken bijna nooit voor. Toneelschrijvers hebben bij het behandelen van volwassen conflictstof kennelijk geen behoefte aan hun inbreng. Of heeft hun afwezigheid een praktische reden? “Een kind lacht niet op commando.”

Annie van Ees was, toen ze in 1939 de titelrol speelde in de film Boefje, een vrouw van 46. De jongen die ze speelde, was een jaar of twaalf, jonger dan haar eigen zoon. Ze droeg een trui met rolkraag om de afwezigheid van een adamsappel te verbergen, zette een buitenmodelpet op haar smoezelig gemaakte hoofd, hulde haar frêle postuur in een aangevreten jasje, stopte haar boezem weg achter een strak vest, forceerde haar stem tot een ietwat schor geluid en mat zich een schokkerige tred aan, zo ongeveer als een kleuter die probeert stoer te doen. En ze oogstte er bij kritiek en publiek niets dan lof mee.

Boefje is de rol waarmee Annie van Ees, hoeveel andere rollen ze ook speelde, haar leven lang is vereenzelvigd. Toen ze in de twintig was, had ze al eens met veel succes een Rotterdams straatjoch vertolkt. Dat bracht haar echtgenoot, toneelleider Cor van der Lugt Melsert, op het idee voor haar een stuk te laten schrijven op basis van de uit het leven gegrepen roman Boefje van M.J. Brusse, over een onhandelbare knaap uit de Pro Juventute-praktijk. De première, in 1923, moet voor de ooggetuigen een onvergetelijke gebeurtenis zijn geweest. “Hoe innig en met welk een volkomen meesterschap heeft zij in de celscène ons de tragiek van dat eenzame boefje gegeven!” schreef J.B. Schuil, de criticus van het Haarlems Dagblad, drie jaar later, toen ze de rol voor de vijfhonderdste keer speelde.

Boefje was een blijvend kassucces. Telkens als Van der Lugt Melsert met zijn toneelgezelschap op zwart zaad zat, moest zijn echtgenote weer opdraven. In interviews zei Van Ees dat het stuk haar bleef ontroeren: “Ik ben er zo in, als ik die jongen in de gevangenis spelen moet, dat ik telkens opnieuw weer met m'n ogen vol tranen sta. Dat bedrijf pakt mij dan ook dikwijls wel erg aan. En het is meer dan eens gebeurd, dat ik in de rechtbankscène er nog een beetje overstuur, nog een beetje duizelig van ben, en dat m'n man mij wel eens in de pauze met een glas champagne moest opknappen.” In 1947 speelde ze, op 54-jarige leeftijd, haar duizendste voorstelling.

Toch vond Van Ees, toen er eind jaren dertig over een verfilming van het stuk werd gesproken, dat het naturalistische medium film een andere hoofdrolspeler vergde. “Ze moeten een echte Rotterdamse straatjongen nemen,” zei ze in 1938. Daar was echter geen denken aan. “Het publiek zou Boefje zonder Annie van Ees niet accepteren,” aldus de producent. Hij had gelijk, want de film maakte mèt Van Ees een zegetocht door het land.

Bijna een halve eeuw later, in 1986, ging bij het Nederlands Volkstoneel een muzikale bewerking van Boefje in première, met een jongen in de hoofdrol - en niemand keek daarvan op. “Geen haar op ons hoofd die eraan dacht om die rol door een actrice te laten spelen,” beaamt producer Marty Hinrichs. “In de realistische manier waarop wij theater maken, zou het absoluut niet geloofwaardig zijn geweest daar een vrouw voor te nemen. We hebben, om problemen met de kinderbescherming te voorkomen, gekozen voor een jongen die niet meer onder de leerplicht viel, maar er nog klein genoeg uitzag. Met een vrouw was de voorstelling gewoonweg niet te verkopen geweest.”

Zieligheidseffect

Zelden heeft het toneel kinderrollen door volwassenen laten spelen, ook niet in de jaren twintig en dertig. Boefje was een uitzondering - het artistieke stuntwerk van één actrice die zich een stuk op het lijf had laten schrijven. Verder komen kinderrollen in het toneel nauwelijks voor. Hooguit even tijdens de hoogtijdagen van smartelijke stukken als De twee weezen, ruim een eeuw geleden, toen er wegens het zieligheidseffect geregeld in lompen gehulde kinderen werden opgevoerd. Maar in die gevallen was er meestal wel een dreumes voorradig uit het kindertal van de dames en heren toneelspelers. Zo debuteerden de meeste Bouwmeesters op vijf- of zesjarige leeftijd in het gezelschap van hun ouders. Dat lag nu eenmaal in de lijn van hun leven: waren ze niet om te beginnen al geboren in een kleedkamer of in de coulissen? In het variété zong Louis Davids zijn eerste liedjes toen hij vijf was, eveneens in voorstellingen van zijn ouders.

Toneelschrijvers hebben bij het behandelen van volwassen conflictstof kennelijk geen behoefte aan de inbreng van een kind. Maar misschien heeft het ook praktische redenen: nog afgezien van de wetten tegen kinderarbeid, die het bijvoorbeeld in Nederland onmogelijk maken één kind elke avond te laten spelen, staan kinderen erom bekend dat ze onvoorspelbaar spontaan kunnen zijn. Dat is een lastige eigenschap voor een acteur.

Het zal geen toeval zijn dat in film en televisie-drama, waar de concentratie nooit langer hoeft te duren dan één korte scène, veel meer kinderen voorkomen. Regisseurs als Karst van der Meulen en Ben Sombogaart hebben met engelengeduld bewezen hoe effectief zulke amateurspelertjes kunnen zijn. Niemand heeft in die sectoren dan ook behoefte aan volwassenen in kinderrollen. Leen Jongewaard moet begin jaren zestig, in de tv-serie Flipje de tovenaarsleerling, zo ongeveer de laatste dertiger zijn geweest die nog doorging voor een jeugdig knaapje. Als de opgewekte Gerrit in Ja zuster, nee zuster, eind jaren zestig, was hij leeftijdloos.

Stemmenbranche

Alleen in de stemmenbranche is het verschijnsel aanzienlijk gebruikelijker geweest. Decennia lang werden ten behoeve van jeugdhoorspelseries als Saskia en Jeroen en Ernst-Jan en Snabbeltje kinderlijke kopstemmetjes opgezet door actrices als Annemarie van Ees (een nichtje van Annie van Ees), Hetty Berger en Nina Bergsma. Zo speelde Annemarie van Ees in 1961 ook de kinderlijke titelrol in de muzikale radioserie Ibbeltje van Annie M.G. Schmidt. Op de vraag waarom voor dat kleine meisje toen niet naar een echt klein meisje is gezocht, laat Wim Ibo, de toenmalige producer, een lange stilte vallen. “Dat is blijkbaar niet bij ons opgekomen,” luidt tenslotte zijn enige verklaring - zo gewoon was dat toen nog.

“Ik vond het, eerlijk gezegd, altijd nogal gênant die oudere actrices in de studio hun kinderstemmetjes te zien piepen,” zegt actrice Trudy Libosan, die in de loop van de jaren zestig in de voetsporen trad van de dames Van Ees, Berger en Bergsma. “Nu zou ik dat ook niet meer doen. Wel komt het nog voor dat ik fictieve beestjes inspreek, hele kleine hondjes en dat soort dingen. Het is natuurlijk altijd beter een kind door een echt kind te laten spelen. Als de producent althans over genoeg tijd en geld beschikt, want als er moet worden gehaast, krijg je al gauw lelijk opgelezen teksten te horen. Kinderen hebben het nu eenmaal niet zo snel onder de knie als volwassenen. Je moet de mogelijkheid hebben om desnoods een hele dag over drie woorden te doen, tot ze er goed opstaan.”

Ook de acteur Arnold Gelderman, gespecialiseerd in het regisseren van de nasynchronisatie voor grote tekenfilms, heeft nog de tijd meegemaakt dat de kinderstemmen door volwassen actrices werden verzorgd. “Een volwassene leest nu eenmaal makkelijker dan een kind,” verklaart hij, “en dat is voor de producenten altijd aantrekkelijk. Een kind laat zich ook veel sneller afleiden, al was het maar door een vlieg die opeens in de studio rondcirkelt. En toch is er nu geen denken meer aan om een kinderrol door een actrice te laten spelen. Voor twee zinnetjes in een tv-aflevering van 25 minuten is het misschien nog acceptabel, maar voor een dragende rol niet meer. Een kind is spontaner, natuurlijker en soms ook verrassender. Vergeet niet dat die kopstemmetjes van vroeger wel héél voorspelbaar waren.”

De ervaring heeft Gelderman geleerd dat hij bovenal geduld moet hebben. Langer dan een halve dag laat hij een kind nimmer in de studio zitten: “Het is zó inspannend dat je het anders niet fris kunt houden. En binnen die tijd moet je tòch al af en toe even met zo'n kind naar buiten, als het blijft steken. Het ergste zijn de ouders die erbij willen zijn en hun kind onder druk zetten. Die met een fototoestel binnenkomen en, als iets niet lukt, in aanwezigheid van het kind tegen je zeggen: hij kan 't bèst! Dat werkt alleen maar averechts.”

Omdat er in Nederland geen professionele kinderacteurs zijn, zoals in Amerika of Engeland, vond hij zijn acteurtjes tot dusver door schoolmeesters te vragen welke kinderen goed kunnen lezen. Maar kortgeleden heeft hij, vruchteloos op zoek naar een achtjarig jongetje voor de nasynchronisatie van de komende Disney-film The Lion King, kennisgemaakt met het Hofplein-jeugdtheater in Rotterdam en daar geschikt talent gevonden. “Ze leiden de kinderen daar op voor het theater, maar geven ze wel het verstandige advies: doe het niet!”

Doorgaans neemt Gelderman een jeugdig acteurtje, achter de microfoon, op schoot. Dat geeft hem de mogelijkheid het kind een halve seconde voordat er tekst komt, een kneepje in de bovenarm te geven. De karakterologische bijzonderheden van de rol laten zich meestal wel uitleggen, weet hij, al kan het soms geen kwaad bij heftige passages nog even te zeggen dat het natuurlijk allemaal maar spel is. Verdere kunstgrepen haalt hij alleen uit als er moet worden gelachen: “Een kind lacht niet op commando. Het zegt: waarom moet ik lachen, ik wil niet lachen. Dan moet ik even de clown uithangen, in de wetenschap dat de technicus de band heeft laten draaien. Ik verstop me onder de tafel en kom met een raar smoel weer tevoorschijn. Dat is vaak de enige manier om een lach op de band te krijgen. Maar dat is dan tenminste wel een goede, natuurlijke lach. En daarom kies je immers voor een kind: voor de natuurlijkheid.”