Joints roken naast het washok

“Tragiek raakt me als ze met humor wordt beschreven: eerst schiet je nietsvermoedend in de lach en dan gaat het knagen. Om die reden hebben de verhalen van Tobias Wolff mijn hart gestolen en houdt een stuk afplaktape de bundel Jagers in de Sneeuw bijeen.” Rubriek over boeken die om onbegrijpelijke redenen in de ramsj zijn gegaan.

Tobias Wolff: Jagers in de sneeuw. Vert. Peter Bergsma. Uitg. Bert Bakker, 1987, 189 blz. Verkijgbaar bij De Slegte. Prijs ƒ 9,95.

“Wat? Ken jij 'Het huwelijk' niet?” Ze had me voor de zoveelste keer, afstandsbediening van de tv in haar hand, uitgelegd waarom de mens tot berusten gedoemd is. “Precies zoals Elsschot verwoordt in zijn geniale gedicht.” Ze zapte van CNN naar een documentaire over de wasbeer.

Ze stond op, beende naar de boekenkast en pakte Elsschots Verzameld Werk. Declameerde: “Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in den weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren.” Bij de rijmwoorden stootte ze haar vuist naar het plafond, haar badjas viel open. Ze klapte het boek dicht en smeet het op de bank.

Tragiek raakt me als ze met humor wordt beschreven: eerst schiet je nietsvermoedend in de lach en dan gaat het knagen. Om die reden hebben de verhalen van Tobias Wolff (Alabama, 1945) mijn hart gestolen en houdt een stuk afplaktape de bundel Jagers in de Sneeuw bijeen.

Wolffs personages zijn bang. Bang controle te verliezen over hun geregelde leven.

Glen, een vertegenwoordiger in zwemvesten en petten, neemt een liftster mee hoewel zijn huisgenoot Martin dat heeft verboden. Weer thuis kan Glen uit nervositeit geen hap door zijn keel krijgen. Hij biecht zijn zonde op maar voordat hij is uitgesproken, wordt Martin razend van woede. Glen trekt zich terug in de slaapkamer en fantaseert over een nieuw leven. Strijdvaardig pakt hij de twee joints die de lifster in de auto heeft laten liggen en besluit die op te roken. Niet in de slaapkamer natuurlijk, dat zou Martin kunnen ruiken en niet buiten, wie weet komt de politie net langs. Hij zegt tegen Martin, die een modelvliegtuigje bouwt, dat hij even een rondje om gaat, en rept zich naar het kleine kamertje naast het washok waar ze het hout voor de open haard bewaren. Het zal nog wel drie maanden duren voordat Martin daar weer komt en dan is de wietlucht wel vervlogen. Of niet, wat kan mij het schelen, denkt Glen roekeloos.

In het bedompte, pikdonkere hok rookt hij de jointjes. Vrolijk wordt hij er niet van. Net wil hij opstappen, als zijn huisgenoot het washok binnenkomt en daar gaat strijken. De radio staat aan en Martin becommentarieert luidkeels alles wat de nieuwslezer vertelt. Ergens zijn vredesbesprekingen mislukt, Martin roept: “Mij een biet!” Glens ogen tranen van de rook, zijn rug doet pijn omdat hij gebogen zit maar hij durft niet op te staan.

De personages weten waar het in hun leven wringt maar laten zich liever niet plagen door een wijde blik. (Wolff symboliseert dit door kwistig strooien met sneeuwbuien, mist en zware regenval.) Regelmatig duikt een vrijbuiter op die de hoofdpersonen doet twijfelen aan de waarden van hun bestaan. Professor Brooke, een keurige wetenschapper in maatkostuum, raakt een avond lang in de ban van Ruth, een zweverige ex-kankerpatiënte. Tot zijn verbazing discussieert hij, in lotushouding op de vloer van haar appartement, over Hindi-poëzie.

Wolffs figuren willen veranderen maar zijn daartoe niet in staat. Ze twijfelen, zijn zwak, en juist dat maakt hen ontroerend.

Mijn lievelingsverhaal is het titelverhaal 'Jagers in de Sneeuw'. Drie mannen gaan op een ijzige winternacht jagen. Tub, die zich heimelijk volpropt met vette hamburgers en chocola, is het mikpunt van spot. Kenny en Frank laten hem opzettelijk vernikkelen van de kou door een uur later dan afgesproken te verschijnen. Ze rijden voor de grap met de truck op hem in en sarren aan een stuk door. Uit wanhoop schiet Tub Kenny neer. Even lijkt er een rigoureuze ommekeer plaats te vinden: Frank verontschuldigt zich voor alle pesterijen en Tub durft te bekennen dat hij geen klierafwijking heeft, maar eetverslaafd is.

Dwars door een sneeuwstorm rijden de mannen Kenny, die onder een dunne deken in de laadruimte ligt, naar het ziekenhuis. Ze verdwalen en stoppen uiteindelijk bij een restaurantje. Hier dwingt Frank Tub tot het eten van vijf pannekoeken. Als de stroop over zijn kin druipt, mag hij geen servet gebruiken en hij moet zelfs de borden schoonlikken.

Wolff beschrijft zijn gemankeerde personages en hun dagelijkse leven met humor en veel tederheid. Ze kunnen het ook niet helpen, lijkt hij schouderophalend te denken. Glen en Martin genieten samen op de bank van Bekende Melodieën, Instrumentaal, en Wolff maakt hen geen moment belachelijk.

Mijn vriendin smeet Elsschot neer toen de telefoon ging. “Maandag half acht,” zei ik, “je minnaar. Je vaste minnaar.”

We luisterden hoe de telefoon zes, zeven keer overging. Ik rekte me uit en gaapte. “Maar doodslaan deed zij niet.”

Ze knoopte haar badjas dicht en nam op.