Interregionale politieteams zweven ver boven de democratie

De restanten van de oude structuur van het politiebestel bemoeilijken de opzet van een nationaal recherche-team. Toch is een dergelijk team, dat zich niets hoeft aan te trekken van de bestaande regionale opsporings-eenheden en direct inzetbaar is voor de bestrijding van zware criminaliteit, de droom van menig misdaadbestrijder. Frank Kuitenbrouwer vindt dat zo'n organisatie pas kan worden opgericht als de regieproblemen binnen de politie zijn opgelost en helderheid bestaat over de opsporingsmethoden.

Een nationale recherche-eenheid, die direct inzetbaar is en zich niets aantrekt van de politiebureaucratie. Er bestaat van oudsher nogal wat politieke weerstand tegen zo'n 'Nederlandse FBI', maar het is een oude wensdroom van menig misdaadbestrijder. De nieuwe minister van justitie Sorgdrager maakt zich nu op die droom te vervullen. Krachtens het paarse regeerakkoord komt er een landelijk rechercheteam onder haar beleidsverantwoordelijkheid “in aanvulling op - en in goede samenwerking met - de bestaande interregionale teams”.

Het klinkt vanzelfsprekender dan het is. De bezwaren zijn niet voor niets zo hardnekkig gebleken. Tekenend is dat er een kabinetsformatie aan te pas heeft moeten komen om ze te overwinnen. Bij deze onderhandelingen wordt het openbare debat verplaatst naar de politieke binnenkamer en de in het regeerakkoord neergelegde uitkomst is verregaand onttrokken aan discussie. Met behulp van deze politieke kunstgreep heeft het vorige kabinet het klaargespeeld een ingrijpende reorganisatie van de politie in 25 regionale korpsen plus een korps landelijke diensten in één kabinetsperiode erdoor te jassen.

Dat was ontegenzeglijk een huzarenstukje van Lubbers c.s. maar de politiek van de voldongen feiten (sommigen spraken van een 'fusiefuik') had wèl een prijs: een toegenomen verzelfstandiging van de politie, die zich af en toe zelfs dreigt te onttrekken aan de elementaire gezagsverhoudingen. De zogeheten IRT-affaire vormt het spectaculairste voorbeeld. Het onderzoek van de commissie-Wierenga heeft in een schril daglicht gesteld hoe in de driehoek Amsterdam-Utrecht-Kennemerland politiemensen van hoog tot laag hun onderlinge kinnesinne stelden boven de samenwerking waartoe zij waren gehouden.

De IRT-affaire laat ook zien dat de reorganisatie van het politiebestel losse eindjes had. Een regionale opzet geeft immers geen antwoord op de aanpak van bovenregionale recherche-onderzoeken. Wel is sinds jaar en dag in Nederland een Centrale recherche-informatiedienst (CRI), thans ondergebracht in het Korps Landelijke Diensten, maar deze heeft niet de bevoegdheid zelf onderzoeken in te stellen en fungeert vooral als informatiecentrum. De CRI is bepaald méér dan een doorgeefluik, maar de grens wordt getrokken bij operationele bevoegdheden. Die berusten bij de korpsen in het land. Zelfs op het vlak van de informatie-uitwisseling is de positie van de CRI als overkoepelende dienst niet altijd gemakkelijk gebleken.

Onder het oude bestel van circa 150 aparte gemeentelijke korpsen plus de rijkspolitie was al besloten tot het instellen van vijf interregionale rechercheteams die wèl direct zouden kunnen optreden, met name ter bestrijding van de zware criminaliteit die zich weinig aantrok van deze indeling. De moeilijkheden met de IRT's zijn voor een deel een overgangsprobleem tussen het oude en het nieuwe bestel. De kern van de problemen blijft echter onveranderd. Een samenwerkingsvorm die de gekozen basisindeling van de politie te boven gaat loopt het risico te gaan zweven.

Na de problemen in de driehoek Amsterdam-Kennermerland-Utrecht zijn de IRT's omgedoopt tot 'kernteams'. Maar zo'n etikettenwissel is, zoals het Tijdschrift voor de politie deze zomer snijdend in een redactioneel opmerkte, “absoluut onvoldoende”. Waar het om gaat is dat de Amsterdamse hoofdofficier van justitie Vrakking tegenover de commissie-Wierenga zijn IRT kon betitelen als “een staat in de staat”. Wat het beheer betreft is de nieuwe regionale opzet al in sterke mate losgemaakt van de reguliere bestuurlijke indeling van ons land. In de kamerdebatten over de nieuwe structuur werd openlijk gesproken over een “democratisch gat”. Dat wordt alleen maar verder vergroot door de bovenbouw van kernteams.

“Een recherche-organisatie moet een band met het gehele apparaat hebben”, erkende zelfs een geharnast propagandist van de landelijke aanpak als procureur-generaal R.A. Gonsalves tegenover de commissie-Wierenga: “zij moet gevoed worden”. Dat is het oude probleem van de CRI en het nieuwe probleem van de IRT's - laat staan van een nationaal team. Dit is dan ook “een stap te ver”, vond oud-topambtenaar J. Demmink van justitie. Tekenend was helemaal de schrik van het toenmalige hoofd van de CRI, J. Wilzing, bij de gedachte dat hij het commando over een eventueel landelijk team zou moeten voeren: daarvoor was hij te zeer “gesteld op zijn vertrouwensrelatie met zijn 25 collega's in het land”.

Op zichzelf is er zeker reden om ook de interregionale aanpak te coördineren. Er bestaat een reëel gevaar dat verschillende kernteams ieder aan een eigen eind van een criminele affaire beginnen te trekken, met alle risico dat zij elkaar ergens tegenkomen zonder dat te weten. In de schemerige wereld van de grote criminaliteit(sbestrijding) is dat een recept voor ongelukken. Wanneer de leiding van vijf kernteams samen met de CRI zelfs niet een elementaire kwestie als een minimum aan onderlinge afstemming bevredigend kan oplossen is het nogal naïef te verwachten dat een landelijk team dat wel kan. De geschiedenis van de IRT's doet eerder verwachten dat zo'n nationaal team alleen maar nieuwe weerstanden oproept.

Een extra reden voor behoedzaamheid is dat de gespecialiseerde rechercheteams zich bij uitstek begeven op het gebied van de riskante opsporingsmethoden: undercoverwerk, afluisteren en aftappen, inkijkoperaties en wellicht nog andere toepassingen waar we geen weet van hebben. Duidelijk is wel dat er het nodige kan voorafgaan aan een regulier opsporingsonderzoek - met alle wettelijke waarborgen van dien. Dit hele zogeheten 'pro-actieve' circuit is toch wel erg 'diffuus', moest hoofdofficier Vrakking voor de commissie-Wierenga erkennen. Dat is een net woord voor oncontroleerbaar.

Het openbaar ministerie wil nu een toetsingscommissie vormen voor riskante operaties. In de jongste aflevering van het juridische studentenblad Ars Aequi is de Nijmeegse hoogleraar strafrecht Corstens (wiens benoeming in de Hoge Raad binnenkort wordt verwacht) daar met reden nogal schamper over. Het is onvoldoende dat een commissie als zij dat nodig vindt de wet af en toe even opzij kan zetten, ook al is er beroep op procureur-generaal Gonsalves mogelijk: “te biecht bij de oppergod”.

De Tweede Kamer beraadt zich trouwens nog op een onderzoek naar opsporingsmethoden met een verhoogd risico. Daarbij hoort de vraag van de juridische deugdelijkheid. Minister Sorgdrager voelt kennelijk ook wel enige nattigheid. Ze heeft tenminste aangekondigd dat het nationale team zich voorlopig zal beperken tot “financiële onderzoeken”. Dat is waarschijnlijk bedoeld als een geruststelling, maar het voorbeeld van de FIOD (de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst) laat zien dat dit geen onomstreden terrein is.

Een reden te meer eerst de opsporingspraktijk te regelen en dan pas het team, is dat dit naar het zich laat aanzien een aardig deel zal opsouperen van de nieuwe fondsen die het paarse kabinet heeft gepland voor de criminaliteitsbestrijding. Wanneer het regieprobleem geen voorrang krijgt is een nationaal rechercheteam een vorm van va-banquespel.