Groot huisraad

Buiten het bereik van de Nederlandse media heb ik niet kunnen volgen hoe het is afgelopen met de grote stoel die door een van onze beeldende kunstenaars aan het strand in zee was gezet en op een ochtend opeens verdwenen bleek te zijn, hoewel de fundering op een paar najaarsstormen berekend was. Gestolen door een verzamelaar? Omgezaagd door de concurrentie? Weggehaald door de kunstenaar omdat hij vond dat ons volk zijn stoel niet verdiende? Misschien is het met een sisser afgelopen.

Onderweg luisterde ik op een avond het gesprek tussen twee andere kunstenaars af. “Ik heb een geweldig idee,” zei de ene. “Je kent toch die badkamerkrukjes met een gat in het midden van de zitting? Zo'n krukje, maar dan tien meter hoog.”

“Niet veel bijzonders,” zei de andere.

“Wacht nou even! Dan neem ik de voorvork van een fiets, met het wiel erin, en dat laat ik ook vergroten. Dat wiel moet dan een diameter van acht meter krijgen - daar heb ik al een fietsenfabriek voor die het sponsort - en dan laat ik dat krukje met het wiel middenin de Vinkeveense plassen zetten. Wat vind je daarvan!”

“Dat verandert de zaak. Gouden idee! Maar zo heb ik er ook nog een. Je moet je voorstellen: een blik ossestaartsoep. Leuke ossekop, aardige letters. Zie je dat? Daar maak ik een dia van en die projecteer ik op een doek van vier bij tien en dan neem ik de airbrush en spuit de hele zaak erop. Nou jij!'

“Wereldnummer! Daar heb ik niet van terug.”

Enzovoort.

Een poosje geleden heeft Dirk van Weelden in deze krant een pagina geschreven over een soort kunst die ongetwijfeld kunst is maar zo afgetakeld middelmatig dat het een affront is voor iedereen die er plezier aan wil beleven, ook graag wil dat de kunstenaars er rijk en beroemd mee worden en bovendien dat het nageslacht er nog met bewondering over zal spreken. Maar je ziet nu al: het is niet gelukt.

Tot die omvangrijke, langzamerhand niet meer te beschrijven categorie hoort de stoel in de branding. Ik neem hem nu maar als voorbeeld, ik heb niets tegen die stoel an sich maar dertig jaar geleden heeft Wim T. Schippers al een grote stoel in het Vondelpark gezet, en als je dus, in 1994 kunstenaar zijnde, de drang voelt om zo'n object niet in een park maar in de branding neer te zetten, moet er een innerlijke stem zijn: “Nee! Geen stoel. Ook geen buffet. Geen enkel stuk huisraad van reusachtige afmetingen. En evenmin een heel klein stoeltje in een grote museumzaal, want die staat er ook al, en van al die dingen kan de wereld er maar één bevatten.”

Kunst is kunst en binnen die grenzen van geniaal tot slecht. De kunstenaar die met zijn werk tevoorschijn komt, verdient het om naar die maatstaven van rangorde te worden behandeld; dat wil zeggen niet als lidmaat van een bijzondere sekte waarvan alles bij voorbaat in orde is omdat het nu eenmaal uit die sekte afkomstig is.

De stoel in de branding - ik hoop dat hij weer terecht is en op zijn plaats gezet - is zo'n produkt van uitwisselbare middelmatigheid, een voorbeeld van vondstenaarschap, het soort van kunst dat door Dirk van Weelden is beschreven. In kringen van beeldende kunstenaars worden over wat ik nu maar 'deze problematiek' zal noemen, misverstanden gekoesterd. Er zijn daar mensen die graag denken dat de bezwaren tegen zo'n object worden geopperd door de gasten van Pension Zeezicht die er 'overlast van ondervinden'.

Het is waar: in de massa der kunstbeschouwers roert zich altijd de partij van de omwonenden die 'overlast ondervindt'. Een sterk staaltje van haar macht heeft deze partij nog onlangs gegeven met haar geslaagde actie tegen de sculptuur van Herman Makkink, Oude grond. Dat kunstwerk, oorspronkelijk en met groot vakmanschap uitgevoerd, is gesloopt, zodat de omwonenden weer vrij uitzicht hadden op de geraniums van de overburen.

In deze fundamenteel democratische tijden hebben ook de omwonenden recht op hun kunstkritiek en binnen de grenzen van de wet staat het iedereen vrij zo krachtig mogelijk naar het uitzicht van zijn voorkeur te streven. Maar daarmee wordt geen rangorde aangebracht in wat de kunstenaars maken. Zolang de partij van de omwonenden er vrede mee heeft, of als er helemaal geen omwonenden zijn, kan iedere kunstenaar praktisch alles neerzetten wat hem of een voorganger tebinnen is geschoten. Dat heeft met goed en slecht niets meer te maken en daarom bevoordeelt het degenen die er weinig van terecht brengen tegenover degenen die het beter kunnen. Vandaar dat we zoveel gepruts tegenkomen dat toch ook kunst is.