Gabriel García Márquez, geobsedeerd door het waarachtige; De demonen der melancholie

In het voorwoord van zijn nieuwste roman, Over de liefde en andere demonen, wil Gabriel García Márquez de lezer doen geloven dat hij het verhaal niet heeft bedacht, maar gevonden. Ook in andere boeken herhaalt hij voortdurend dat hij de werkelijkheid beschrijft. “Vanwaar toch deze lezersbegeleiding? Ik kan me niet voorstellen dat een zo begaafde stilist als Márquez zijn overtuigingskracht niet vertrouwt.”

Gabriel García Márquez: Over de liefde en andere demonen. Vert. Adri Boon. Uitg. Meulenhoff, 239 blz. Prijs ƒ 34,90.

Het bedenkelijkst aan literatuur is dat het verzonnen is. O dagen toen de verhalen nog van niemand waren en gewoon bestonden. Familielotgevallen in de oorlog, Pietje Bell, Odysseus en zijn Houten Paard, de mysterieuze ziekte van een buurjongen, ridders en draken, prinsesjes in onbekende koninkrijken - al deze verhalen bestonden, in een of ander vreemd continuüm, een soort buitenland van de geest. Deze magie is verloren gegaan. Het is, als je weet hebt gekregen van stijl en compositie, van de gemaaktheid van literatuur, onvermijdelijk geworden een verhaal te toetsen aan de werkelijkheid, die onoverwinnelijke moloch der alledaagse ervaringen. Een boek moet, als je routine hebt gekregen, geloofwaardig zijn - wat betekent dat de lezer zich moet kunnen voorhouden dat het 'echt gebeurd' is dan wel echt had kunnen gebeuren. Als Gregor Samsa in een vies beest verandert, gelooft niemand dat deze kantoorbediende werkelijk een insekt is geworden. Wat de lezer gelooft, is dat de hoofdpersoon denkt dat dit zo is. Deze angstbegoocheling wordt dan als 'echt' ervaren. Toch valt niet te loochenen dat De gedaantewisseling verzonnen is - en daarmee is de hinderlijke paradox van de literatuur getypeerd, namelijk dat de schrijver - op straffe van acute lezersverveling - zijn ervaringen moet vervormen tot verbeelding, maar dat hij tegelijk de werkelijkheid, dat wil zeggen de alledaagse ervaringen van zijn lezers, niet uit het oog mag verliezen. Ingewikkeld hoor! En met weemoed denk je terug aan de verhalen van vroeger, waarin alles mogelijk was - en nog gebeurde bovendien.

Ik ken geen schrijver die zo met dit dilemma worstelt als Gabriel García Márquez. Zijn romans en verhalen ademen het heimwee naar de verhalen van vroeger, met hun vanzelfsprekende wonderbaarlijkheid en hun vertrouwde exotisme. Toch heeft Márquez zich altijd hevig verzet tegen aanduidingen als 'exotisch' en 'wonderbaarlijk', aangezien ze rieken naar 'verzinsel' en 'onechtheid'. Hoewel zijn voorkeur voor het curieuze, het groteske en het abnormale je van elke bladzijde toegrijnst, smeekt hij zijn lezers voortdurend hem op zijn woord te geloven en te geloven dat hij de werkelijkheid beschrijft.

Deze onzekerheid is opmerkelijk. Had, bijvoorbeeld, een 'fantastische' schrijver als Gogol de behoefte zich in te dekken tegen de onwaarschijnlijke lotgevallen van De neus? Waarom wringt Márquez, toch ook geen geringe schrijver, zich dan in allerlei bochten? Met verbazing lees ik hoe hij zich voor zijn merkwaardige vertellingen keer op keer beroept op zijn Caribische achtergrond: 'In Zuid-Amerika en in het Caribische gebied hoeven kunstenaars maar heel weinig te verzinnen. Misschien is het probleem eerder het tegenovergestelde: hun werkelijkheid geloofwaardig te maken,' schrijft hij in 'Fantasie en creativiteit', opgenomen in De zee van mijn verloren verhalen. En in een ander essay in deze bundel heet het: 'Ik ben in het Caribische gebied geboren en getogen. Ik ken het land voor land, eiland voor eiland, en misschien komt daar mijn frustratie vandaan dat ik nooit iets heb kunnen verzinnen en dat ik nooit iets heb kunnen doen dat verbazingwekkender is dan de werkelijkheid.' Ja jongen, we geloven je wel - al is die opmerking over de frustratie niets te kunnen verzinnen wel een beetje koket.

Buitengesloten

Vanwaar toch deze lezersbegeleiding? Ik kan me niet voorstellen dat een zo begaafde stilist als Márquez zijn overtuigingskracht niet vertrouwt. Het moet iets anders zijn, iets raars dat hij zich in zijn kop heeft gehaald. Misschien, nu ik erover nadenk, dat het te maken heeft met de wezenlijke treurigheid van het schrijverschap die Sartre in Wat is literatuur? onder woorden heeft gebracht, namelijk dat de auteur als enige nooit zijn eigen werk kan lezen - buitengesloten in zijn eigen universum. Hij weet altijd dat hij het zelf heeft opgeschreven. Hij zou zo zielsgraag willen dat het echt was, maar voor hem blijft het steevast maakwerk. In plaats van opgezwiept te worden door de wervelwinden der verbeelding blijft hij treuzelen bij een woord dat hem niet meer zo bevalt of bij een komma die hij, bij nader inzien, beter weg had kunnen laten. Een verschrikking voor iedere schrijver, maar zeker voor Márquez, die met Honderd jaar eenzaamheid de 'bijbel van Latijns Amerika' schreef en er helaas, als enige op dat hele continent, niet in kan geloven.

Voor Márquez geldt wat Italo Calvino ooit zei over zijn eigen vroege werk: dat hij verhalen had willen schrijven zoals je die aantreft in een oud boek dat je op zolder onder het stof der tijden vandaan heb gevist. Hieruit spreekt het melancholische verlangen om als schrijver onpersoonlijk te worden, zich van de band met het verhaal te ontdoen, opdat het als het ware objectief wordt - als andermans werk.

Het 'vinden' van verhalen, dat is wat Márquez nastreeft. Hij doet het vaak voorkomen alsof hij ze ergens gehoord heeft, hij tekent ze, als een verslaggever of een historicus, zogenaamd alleen maar op. Het is in dit verband interessant dat hij zich - behalve als eerlijke Caribische volksjongen - sinds zijn blauwe maandagen bij een Colombiaanse krant altijd als journalist is blijven presenteren. En dat hij Hemingway, de voormalige sterreporter uit Kansas, die zijn beroemde korte verhalen in een 'journalistieke' stijl schreef, als een van zijn grootste voorbeelden noemt (naast Faulkner). Behalve in Márquez' vroege verhalen, in Ogen van een blauwe hond, heb ik van directe invloed nooit iets gemerkt, toch is het duidelijk dat de 'uit het leven gegrepen' dialogen van de Amerikaanse meester grote indruk moeten hebben gemaakt op iemand die zo geobsedeerd is door het waarachtige.

Maar toen hij bekomen was van de eerste sensatie en het geheim probeerde te vinden, ontdekte hij de verfijnde techniek en de 'verbazingwekkende kennis van het ambachtelijk aspect van de schrijfkunst'. Een belangrijke les die hij leerde was 'dat een van de grootste problemen het goed ordenen van de woorden is'. Want elk lelijk woord, iedere stoplap, elk Tantje Betje of cliché kan de illusie verstoren - de illusie dat het er niet anders had kunnen staan. Er zijn schrijvers die hun charme ontlenen aan een 'spontane' ruwheid. Márquez niet. Die moet het hebben van de gepolijste schijn van volmaaktheid - zijn verhalen mogen geen vingerafdrukken, vetvlekken of zweetdruppels tonen, ze moeten licht zijn, alsof ze de schrijver op een lome namiddag aan de Caribische kust zomaar aan zijn komen waaien.

Levendige haardos

Ook in zijn nieuwe roman, Over de liefde en andere demonen, is dat allemaal weer aan de orde. Blijkens het voorwoord (Márquez kan het verantwoorden niet laten) heeft hij het verhaal 'gevonden' toen hij als jonge verslaggever getuige was van grafruimingen in de kelders van een achttiende-eeuws clarissenklooster. Hij beschrijft hoe arbeiders met pikhouwelen en breekijzers oude graven openbikken en -wrikken. Ze 'trokken de botten los uit de harde koek van stof vermengd met flarden lijkwade en dorre haarlokken' en legden op deze nogal ruwe wijze een verloren wereld open. Het verhaal zelf werd gevonden 'in de derde nis van het hoogaltaar, aan de kant van het evangelie'. Iets wonderbaarlijks kwam daar tevoorschijn: er 'kwam uit de crypte een levendige haardos met een diepe koperkleur naar buiten golven'. Na het nodige gesjor en gehannes bereikten de werklieden de schedel waar de fraaie scalp aan vastzat. 'Uitgerold op de grond mat de schitterende haardos tweeëntwintig meter en elf centimeter.' De vondst bracht bij de schrijver meteen een herinnering boven aan de legende ('als jongetje van mijn grootmoeder gehoord') over een twaalfjarig markiezinnetje dat heur haar achter zich aansleepte als een bruidsjapon en dat aan hondsdolheid was gestorven. Haar naam was, las hij op de achttiende-eeuwse zerk, Sierva Maria de Todos los Angeles.

Je zou veel van Márquez' boeken kunnen typeren als pseudohistorische romans of als quasi-historische kronieken. Zelf heeft hij herhaaldelijk verwezen naar de wonderbaarlijke lotgevallen van de conquistadores, vastgelegd in logboeken en kronieken: 'Ook zij werden geconfronteerd met het feit dat - om een onvervangbare gemeenplaats te gebruiken - de werkelijkheid de verbeelding overtrof.' Inderdaad zijn de pakhuizen van de geschiedenis, de Caribische niet meer of minder dan de onze, opgetast met curiosa die je eerder in het rijk der fabelen zou verwachten. Dit mythische karakter van het verleden komt in bijna al Márquez' boeken tot uitdrukking. Honderd jaar eenzaamheid, De herfst van de patriarch, De generaal in zijn labyrint, ze houden het midden tussen kroniek en legende, met die voor beide genres zo typerende nadruk op details en uitweiding in bijzaken.

Ook in Over de liefde en andere demonen valt op hoe niet-psychologisch hij te werk gaat. Anders dan in de psychologische roman, waar motieven, gemoedstoestanden en onderlinge verhoudingen centraal plegen te staan, zet hij zijn protagonisten op als waren het bijbelfiguren. Ze worden gevormd door een stapeling van anekdotes en bizarre details, zoals je een type beschrijft, een figuur van horen zeggen, iemand met een bijnaam. Er hangt om alle personages een verte, alsof ze al niet meer bij het heden horen. Daardoor wekken ze de indruk zich, anders dan in een psychologische roman, niet meer teweer te kunnen stellen tegen de voltrekking van hun lot - aangezien het in zekere zin reeds voltrokken is.

Deze fatalistische doem, dit melancholische perspectief is meer dan de grotesken, de curiosa en de andere wonderbaarlijkheden uit de Caribische goocheldoos hét kenmerk van Márquez' boeken.

Katholieke operette

Ik merk nu ook, bij zijn laatste roman, dat het 'verhaal' niet deugdelijk weer te geven is. Zonder Márquez' woorden, zonder de precisie van zijn stijl, zegt het op zichzelf weinig. Zoals Liefde in tijden van cholera kaal naverteld niet veel meer is dan een melodramatisch libretto, zo is ook Over de liefde en andere demonen schematisch gezien een soort katholieke operette. Je kunt, om Márquez recht te doen, alleen in voorbeelden spreken. De vader van het langharige meisje bijvoorbeeld, de levensbange creoolse markies van Casalduero, die 's nachts geen oog dicht doet uit angst door zijn eigen slaven vermoord te worden - je moet de anekdotes weten die Márquez vertelt om hem te leren kennen, en dan nog blijft hij een soort lege plek. Of zijn tweede vrouw, Bernarda, wier hitsigheid met het klimmen der jaren naar binnen is geslagen en die zich volpropt met cacaotabletten, die opgezwollen van frustratie zichzelf klisteert en alleen nog ontlading vindt in knetterende winden - maar het zijn niet alleen die cacaotabletten en die winden die haar tekenen, het zijn alle verhalen bij elkaar. En dan nog blijft ook zij een lege plek.

Alle personages in het boek zijn aan het verdwijnen. Het is alsof Márquez slechts lege plekken aantreft en daar naar sporen zoekt. Wat er in het boek gebeurt, is als het ware al gebeurd. Net zoals in de Kroniek van een aangekondigde dood de loop der dingen bij voorbaat vaststaat, omdat niemand in staat is tot verzet, zo is ook in Over liefde en andere demonen de tragische afloop onvermijdelijk.

Dit procédé van de aangekondigde dood zou Márquez ontleend kunnen hebben aan de antieke mythen, waar de afloop immers eveneens al in het begin is gegeven. En het doet ook denken aan het klassieke theater, met de onafwendbare katharsis. Zeker in dit boek, met zijn vijf hoofdstukken die corresponderen met de vijf bedrijven, ligt deze associatie voor de hand. Er bungelt zelfs een deus ex machina boven de Bühne, niemand minder dan God de Vader, maar die laat zich niet zien. Ook Hij is uiteindelijk een lege plek.

Het zijn deze lege plekken waar de demonen uit de titel bezit van nemen. Ze worden geboren uit de levensangst, de frustratie en de moedeloosheid waar de personages aan lijden. Eén figuur, de joods arts Abrenuncio, lijkt aan de malaise te ontkomen, onder andere door zijn montere stelling dat 'er geen medicijn is dat geneest wat het geluk niet geneest' - al is hij zelf, als cynicus, tot geluk niet bij machte.

De enige die tot geluk in staat moet worden geacht, is het markiezinnetje met de lange haren. Misschien is haar kracht dat ze zo goed kan liegen, want haar hang naar leugens wordt nadrukkelijk vermeld - alsof Márquez wil zeggen dat de schone waarheid van het levensgeluk slechts met leugens bereikt kan worden. Maar juist dit meisje, de enige die tegen het leven opgewassen leek, wordt het slachtoffer van de angstdemonen der anderen.

De vanzelfsprekendheid van haar leven wordt op de eerste bladzijde al verstoord door de beet van een dolle hond. Niet dat zij besmet is geraakt, maar men dènkt dat ze dat is. Waar zij in werkelijkheid mee besmet raakt, is met de levensangst en de walging van de overige personages. Ze wordt als 'bezetene' opgesloten in een clarissenklooster en valt ten prooi aan duivelsuitbanning.

Zoals zo vaak bij Márquez is het de liefde die uitkomst lijkt te bieden. Niet de consumptieve neukie-neukie die de hedendaagse literatuur teistert, maar de ouderwetse, de verlossende liefde - die bij Márquez tot een soort transfiguratie kan leiden. Bij Ovidius veranderen geliefden in een boom, een nimf of een rivier, bij Márquez 'overwinnen' ze de graflucht van het leven en worden een legende.

In zijn laatste boek blijkt echter ook de liefde een demon te zijn - in de gedaante van de gevoelige priester Cayetano Delaura, die zich als exorcist bij het maagdelijke markiezinnetje Sierva aandient en stante pede voor haar valt. Je denkt en hoopt dat het liefdesvuur dat beiden doet gloeien, haar zal kunnen redden, maar het is juist de liefde die tot haar ondergang leidt.

En zo is ook het leven van beide geliefden, net als voor de overige personages, blijven steken in de hoop op iets dat tenslotte niet gekomen is en hebben zij gekregen wat van meet af aan onvermijdelijk was: de dood.